02/4193 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut werknemersverzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 juli 2002, nr. Awb 02-43 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 25 augustus 2004, waar appellant niet is verschenen, zoals tevoren door hem bericht, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuijsen, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals deze luidden ten tijde als hier van belang. Appellant was sedert 1 juni 1976 in dienst van Nachtveiligheidsdienst Bewaking Haarlem BV (hierna: NVD), laatstelijk in de functie van hoofd technische dienst. Op 8 maart 1999 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Met ingang van 6 maart 2000 is hem een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant werd geschikt geacht voor passende, niet te stresserende, arbeid gedurende maximaal 20 uur per week. Besprekingen over werkhervatting bij de eigen werkgever in een andere functie zijn op niets uitgelopen. Daarop heeft appellant de kantonrechter te Haarlem bij verzoekschrift van 22 december 2000 verzocht zijn arbeidsovereenkomst met NVD te ontbinden. Op 12 januari 2001 heeft de verzekeringsarts Van der Schoor geconstateerd dat er bij appellant geen beperkingen meer aanwezig waren door ziekte of gebrek en dat hij geschikt moest worden geacht voor zijn eigen functie van hoofd technische dienst. De verzekeringsarts heeft daaraan toegevoegd dat hervatting bij de eigen werkgever dubieus was en dat hervatting zonder bemiddeling en goede afspraken vooraf tot nieuwe decompensatie zou kunnen leiden. In verband hiermee heeft de verzekeringsarts het dossier overgedragen aan de arbeidsdeskundige teneinde te bezien of hervatting bij de eigen werkgever mogelijk was en per welke datum de WAO-uitkering zou kunnen worden ingetrokken. De kantonrechter heeft bij beschikking van 30 januari 2001 appellant tot 21 februari 2001 in de gelegenheid gesteld zijn ontbindingsverzoek in te trekken en, voor het geval dat verzoek niet zou worden ingetrokken, de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2001 ontbonden onder toekenning van een vergoeding. Blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige Wijnberg van 7 februari 2001 heeft appellant verklaard dat de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2001 zou worden ontbonden. De arbeidsdeskundige heeft daaruit afgeleid dat reïntegratie geen optie meer was. Gedaagde heeft de WAO-uitkering van appellant per 16 april 2001 ingetrokken. Bij besluit van 11 mei 2001 heeft gedaagde de door appellant aangevraagde WW-uitkering met ingang van 16 april 2001 blijvend geheel geweigerd. Volgens gedaagde is appellant verwijtbaar werkloos geworden omdat hij zelf zijn dienstverband middels een kantongerechtprocedure heeft laten beëindigen en daardoor zijn eigen werkloosheid heeft gecreëerd. Naar de mening van gedaagde had redelijkerwijs van appellant verwacht kunnen worden dat hij was blijven werken totdat hij een andere werkgever zou hebben gevonden. Gedaagde heeft dat besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.