E N K E L V O U D I G E K A M E R 01/2808 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. A.C. Kool, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 30 maart 2001 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 99/9679 AAWAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad heeft revalidatiearts E.L.D. Angenot op 23 maart 2004 van verslag en advies gediend omtrent de gezondheidstoestand van appellante. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 september 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C. Neve, kantoorgenoot van mr. Kool voornoemd, als haar raadsvrouw en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Oltmans, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten. Appellante was werkzaam als schoonmaakster toen zij op 20 maart 1995 uitviel wegens psychische klachten en lichamelijke klachten in verband met spataderen, rug, nek en schouders. Op 24 januari 1996 heeft appellante haar werkzaamheden hervat. Op 22 april 1996 meldde appellante zich opnieuw ziek in verband met dezelfde klachten. Na ommekomst van de zogeheten wachttijd van 52 weken, zijn bij besluit van 27 april 1998 aan appellante met ingang van 21 april 1997 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het besluit van 27 april 1998 is tevens besloten om de toegekende AAW/WAO uitkeringen met ingang van 16 oktober 1997 in te trekken, onder overweging dat de mate van appellante’s arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25 respectievelijk 15 % is. Dit besluit berust op het onderzoek d.d. 19 juni 1997 van de verzekeringsarts H.B.G. Borninkhof. Deze heeft vastgesteld dat appellante weliswaar medische beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen in staat moet worden geacht om arbeid te verrichten. De arbeidsdeskundige J. Duyff komt in zijn rapport van 15 augustus 1997 tot de conclusie dat appellante weliswaar niet meer in staat is haar oude werk te verrichten, maar wel passende functies kan vervullen, waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 25 respectievelijk 15% is. In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts S.C. Hekkelman-de Bie op 8 november 1998 een rapport uitgebracht. Na overlegging van medische informatie van appellantes behandelaars heeft bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven appellantes belastbaarheid opnieuw bezien. Hij is blijkens het rapport van 17 juni 1999 tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsarts Borninkhof van de juiste bij appellante bestaande beperkingen is uitgegaan. Nu de mate van arbeidsongeschiktheid geen wijziging heeft ondergaan heeft gedaagde het bezwaar van appellante bij bestreden besluit van 9 september 1999 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Met deze uitspraak heeft appellante zich niet kunnen verenigen. Appellante heeft daartoe - kort samengevat - in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar nekklachten en met haar beperkte mogelijkheden als gevolg van haar rugklachten. Voorts is appellante van oordeel dat er ten tijde in geding er voldoende aanwijzingen zijn voor het bestaan van psychische klachten. Appellante verzoekt de Raad om een psychiater als deskundige te benoemen om deze klachten en de beperkingen alsnog vast te stellen. De Raad overweegt het volgende. Bij zijn oordeelsvorming heeft de Raad doorslaggevende betekenis toegekend aan het advies van de deskundige E.L.D. Angenot, revalidatiearts te Amsterdam, als vervat in zijn rapport van 23 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.