03/6540 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 6 juni 2002 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 juli 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant heeft het tegen dit besluit door mr. C.M.E.F. Theuns, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, namens gedaagde gemaakte bezwaar bij besluit van 18 december 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank Breda heeft het door de gemachtigde van gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 18 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 20 november 2003, 03/73 WAO, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan gedaagde van het griffierecht en de proceskosten. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De gemachtigde van gedaagde heeft van verweer gediend. Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 augustus 2004, waar namens appellant zijn verschenen mr. E.J.S. van Daatselaar, H. Mulders, W. Otto en D. Vermeulen, allen werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M. Koolhoven, kantoorgenote van de gemachtigde van gedaagde. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat appellant zich blijkens het aanvullend beroepschrift uitsluitend niet kan verenigen met het in de aangevallen uitspraak neergelegde en aan de vernietiging van het bestreden besluit ten grondslag liggende oordeel van de rechtbank omtrent het in acht nemen van een uitlooptermijn bij het bestreden besluit naar aanleiding van het standpunt van gedaagde ter zake in verband met het feit dat in de bezwaarprocedure nieuwe functies zijn geduid. Ter zitting is namens gedaagde desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat ook wat haar betreft de vraag of bij het bestreden besluit een uitlooptermijn in acht moet worden genomen in dit geding het punt van geschil is. De Raad zal zich bij zijn oordeelsvorming in dit geding dan ook beperken tot dit punt van geschil. Gedaagde was werkzaam als bejaardenverzorgende voor 32 uur per week toen zij op 8 november 2000 uitviel met span- ningsklachten. Nadat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege appellant de beperkingen van gedaagde in kaart waren gebracht heeft de arbeidsdeskundige C.A.M. de Beer blijkens zijn rapport van 15 mei 2002 op basis van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 29 april 2002 drie functies aan gedaagde geduid, de overige functies van deze lijst ook met haar besproken en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 37,07%. Een en ander heeft De Beer op 13 mei 2002 met gedaagde besproken en bij brief van 16 mei 2002 aan haar bevestigd. Vervolgens nam appellant een besluit van 6 juni 2002, waarbij hij aan gedaagde in aansluiting op het bereiken van het einde van de wachttijd met ingang van 7 november 2001 een WAO-uitkering toekende, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tevens nam appellant het in rubriek I van deze uitspraak omschreven primaire besluit van dezelfde datum. In de bezwaarprocedure handhaafde de bezwaarverzekeringsarts J.C. Sier blijkens het rapport van 18 november 2002 de vastgestelde beperkingen maar corrigeerde hij de primaire beoordeling in die zin dat voor gedaagde tevens een urenbeperking dient te gelden tot 20 uur per week, te weten 4 x 5 uur of 5 x 4 uur. De bezwaararbeidsdeskundige J.A.C. Kramer heeft blijkens het rapport van 27 november 2002 vervolgens met inachtneming van de door Sier gestelde urenbeperking vastgesteld dat de in de primaire fase van de besluitvorming aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet meer geschikt zijn, aan de hand van een andermaal uitgedraaide arbeidsmogelijkhedenlijst van 27 november 2002 3 nieuwe functies geduid en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 44,78%. Vervolgens handhaafde appellant op basis van de rapporten van Sier en Kramer het primaire besluit. In beroep heeft de gemachtigde van gedaagde, voor zover in dit geding nog van belang, aangevoerd dat het bestreden besluit niet kan blijven gehandhaafd omdat appellant in de bezwaarprocedure nieuwe functies heeft geduid en heeft verzuimd daarbij een aanzegtermijn van twee maanden in acht te nemen. Ten verwere op dit punt voerde appellant in zijn brief van 12 februari 2003 aan dat er in dit geval geen noodzaak bestond een aanzegtermijn in acht te nemen omdat de toekenning van de WAO-uitkering bij het einde van de wachttijd en de herziening naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% in één handeling heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot het onderhavige punt van geschil overwoog de rechtbank in de aangevallen uitspraak als volgt (waarbij appellant als verweerder en gedaagde als eiseres worden aangeduid): “Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) geldt - anders dan bij beoordelingen per einde wachttijd - de hoofdregel dat de bij het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit in acht te nemen eisen die voortvloeien uit het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat aan een betrokkene na confrontatie met de opvatting dat hij algemeen geaccepteerde arbeid kan verrichten een uitlooptermijn van minimaal twee maanden wordt gegund. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat dit anders is indien de toekenning en de herziening van de uitkering in één handeling heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder medegedeeld dat voor dit standpunt steun wordt gevonden in de uitspraak van de Raad d.d. 2 november 2001, gepubliceerd in RSV 2002/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.