02/2961 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. R. Beele, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2002, reg.nr. 01/4044 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 31 augustus 2004, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beele en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Na onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan de gewezen echtgenote van appellant (hierna: [naam ex-echtgenote]) verleende bijstand heeft gedaagde vastgesteld dat [naam ex-echtgenote] van 11 juli 1994 tot en met 10 september 1997 een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd en dat appellant inkomsten uit arbeid heeft ontvangen zonder dat van deze feiten melding is gemaakt bij de sociale dienst Amsterdam. Gedaagde heeft daarin aanleiding gevonden de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 58.722,73 van [naam ex-echtgenote] terug te vorderen. Bij besluit van 23 oktober 1998 heeft gedaagde met toepassing van artikel 84 van de Algemene bijstandswet (Abw) mede van appellant een bedrag van f 58.722,73 teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Bij brief van 15 januari 1999 is namens appellant een verzoek tot herziening van het besluit van 23 oktober 1998 ingediend. Op dat verzoek is tot op heden niet door gedaagde beslist. Bij besluit van 25 oktober 2000 heeft gedaagde appellant de verplichting opgelegd met ingang van 1 oktober 2000 maandelijks een bedrag van f 600,-- af te lossen op het teruggevorderde bedrag. Bij besluit van 5 oktober 2001 heeft gedaagde de tegen het besluit van 25 oktober 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 5 oktober 2001 ingestelde beroep voorzover dat betrekking had op het uitblijven van een beslissing op het verzoek van appellant om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige (ten aanzien van het terugvorderingsbesluit van 23 oktober 1998, het uitblijven van een beslissing op het verzoek van appellant van 15 januari 1999 om de terugvordering te herzien en de hoogte van het aflossingsbedrag van f 600,-- per maand) ongegrond verklaard. Namens appellant is de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het terugvorderingsbesluit van 23 oktober 1998 in rechte is komen vast te staan. Dit had evenwel tot de conclusie dienen te leiden dat het beroep voorzover dit zag op de terugvordering niet-ontvankelijk is, omdat niet eerst - overeenkomstig de in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde eis - bezwaar is gemaakt tegen genoemd terugvorderingsbesluit. In zoverre kan de aangevallen uitspraak dan ook niet onverkort in stand blijven. De Raad oordeelt voorts dat de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld dat het feit dat nog niet op het herzieningsbesluit is beslist niet tot aantasting van het besluit van 5 oktober 2001 kan leiden. Bij dat besluit is immers gehandhaafd het primaire besluit van 25 oktober 2000, welk besluit enkel tot onderwerp had de per 1 oktober 2000 vastgestelde aflossingsverplichting als bovenvermeld. Dit neemt overigens niet weg dat ook de Raad heeft moeten constateren dat kennelijk ook thans nog steeds niet formeel, althans niet in de vorm van een besluit, is gereageerd op het betreffende herzieningsverzoek van 15 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.