E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/2345 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. A.H.M. van den Broek, werkzaam bij FNV Ledenservice te Weert, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 maart 2002, nr. AWB 01/614 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 15 september 2004, waar partijen - met bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals deze luidden ten tijde hier in geding. Appellant was van 14 april 1998 tot en met 24 juli 1999 werkzaam als schilder in dienst van [werkgeefster 1]. Met ingang van laatstgenoemde datum is hem ontslag verleend op eigen verzoek. Aansluitend heeft appellant tot en met 15 augustus 1999 vakantie genoten. Daartoe heeft hij opgebouwde vakantierechten verzilverd. Met ingang van 16 augustus 1999 is appellant als glaszetter in dienst getreden bij [werkgeefster 2]. Per 15 november 1999 is hij uit die dienstbetrekking ontslagen. Naar aanleiding van appellants aanvraag WW-uitkering heeft gedaagde hem bij besluit van 7 december 1999 met ingang van 15 november 1999 een voorschot toegekend van f 753,00 bruto per week. Bij besluit van 4 juli 2000 is appellant met ingang van 15 november 1999 een WW-uitkering toegekend gebaseerd op 33,17 arbeidsuren per week. Daarbij is tevens een verlaagd dagloon vastgesteld, omdat het door appellant gemiddeld aantal gewerkte uren minder was dan het normale aantal uren per week. Bij besluit van 5 juli 2000 heeft gedaagde de hoogte van appellants WW-uitkering vastgesteld op f 666,12 bruto per week. Bij besluit van 26 september 2000 heeft gedaagde van appellant over de periode van 15 november 1999 tot en met 25 februari 2000 een bedrag van f. 1.613,64 bruto aan onverschuldigd betaalde voorschotten teruggevorderd. Het namens appellant tegen dat besluit ingediend bezwaar is door gedaagde ongegrond verklaard bij het thans bestreden besluit van 29 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.