02/2873 CSV 02/6321 CSV 04/1412 CSV U I T S P R A A K in de gedingen tussen:[vestigingsplaats]ante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 30 oktober 2000 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen besluiten van 17 maart 1999 en 23 maart 1999, inhoudende correctie- onderscheidenlijk boetenota’s over de jaren 1995 tot en met 1998, gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 24 april 2002, kenmerk 00/4877, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voorzover betrekking hebbende op de correctie- en boetenota’s over de jaren 1995 tot en met 1997, gedaagde opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, bepaald dat gedaagde het door appellante gestorte griffierecht vergoedt en gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante. Appellante is bij gemachtigde mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen, voorzover die uitspraak ziet op de over het jaar 1998 opgelegde correctie- en boetenota’s. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 5 augustus 2002, ingediend. Bij besluit 17 december 2002 heeft gedaagde ter uitvoering van voormelde uitspraak van de rechtbank Amsterdam de bezwaren van appellante tegen de over de jaren 1995 tot en met 1997 opgelegde correctie- en boetenota’s gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 26 januari 2004, kenmerk 03/860, het namens appellante ingestelde beroep tegen laatstvermeld besluit ongegrond verklaard. Namens appellante is mr. P.J. Siekman op bij beroepschrift aangevoerde gronden ook van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 5 mei 2004, ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 25 mei 2004 de Raad nog nadere stukken doen toekomen. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 juli 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Siekman, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen W. Prins, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Naar aanleiding van een anonieme tip op 6 januari 1998, inhoudende dat in het restaurant van appellante personen werkzaam zijn die niet in de loonadministratie worden verantwoord, is een opsporingsonderzoek gestart, van welk onderzoek op 12 maart 1999 proces-verbaal is opgemaakt. In het kader van dat onderzoek zijn er waarnemingen verricht, is op 4 december 1998 onderzocht of de op die dag in het restaurant werkzame personen ook in de administratie van gedaagde bekend zijn, zijn deze personen gehoord, alsmede de gevolmachtigde van appellante. Deze gevolmachtigde heeft verklaard verantwoordelijk te zijn voor de gehele gang van zaken. Voorts heeft hij verklaard dat er in de jaren 1997 en 1998 veelvuldig met “zwart” personeel is gewerkt en dat dit in de jaren daarvoor wel eens gebeurde. Tevens heeft een looninspecteur van gedaagde een schatting gemaakt van het premieloon dat in de jaren 1995 tot en met 1997 verantwoord had moeten worden. Op basis van het door deze inspecteur opgemaakte looncontrolerapport van 25 februari 1999 heeft gedaagde appellante correctienota’s over deze jaren doen toekomen. Tevens heeft gedaagde appellante over deze jaren boetenota’s opgelegd. Bij zijn in rubriek I vermelde besluit van 30 oktober 2000 heeft gedaagde deze nota’s neerwaarts bijgesteld door alsnog uit te gaan van een minimale bezetting van tien werknemers op vrijdagen, zaterdagen, zondagen en feestdagen. De rechtbank Amsterdam heeft bij haar uitspraak overwogen dat uit het opsporingsonderzoek toereikend is gebleken dat buiten de loonadministratie loon is uitbetaald aan (illegale) werknemers en dat, gelet hierop, de verschuldigde premies bij benadering dienden te worden vastgesteld aan de hand van een zo nauwkeurig mogelijke schatting. Naar het oordeel van de rechtbank is van dit laatste in het geval van appellante sprake. Voorts heeft naar het oordeel van de rechtbank gedaagde voldoende inzicht gegeven in de theoretische loonberekening. Nu appellante geen volledige loonadministratie heeft gevoerd komt voor haar risico dat de verschuldigde premies bij benadering zijn vastgesteld. De rechtbank heeft zich evenwel niet kunnen vinden in de extrapolatie van de gegevens over 1998 naar de jaren daarvoor. Uit omzetgegevens van de belastingdienst blijkt dat er sprake is geweest van een enorme groei in de periode van 25 mei 1995 tot en met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.