E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/695 TW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2001, nr. AWB 01/2188 TW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 15 maart 2002 heeft appellant een vraag van de Raad beantwoord. Nadat bij uitspraak van 10 juli 2002 het hoger beroep niet-ontvankelijk was verklaard, wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht, is bij uitspraak van 6 september 2002 het tegen die uitspraak ingestelde verzet gegrond verklaard. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 8 oktober 2004, waar partijen met kennisgeving niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Bij besluit van 8 december 2000 heeft gedaagde de aan appellant toegekende toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) over de maand december 2000 ingetrokken, omdat appellant in die maand een eindejaarsuitkering van gedaagde ontving, welke van invloed was op zijn aanspraak op de toeslag. Appellant heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Gedaagde heeft de bezwaren van appellant bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2001 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant binnen de daartoe door gedaagde gestelde termijn geen gronden als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had ingediend. De rechtbank heeft geconcludeerd dat gedaagde bevoegd was appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaren en in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In hoger beroep heeft appellant aanvankelijk aangevoerd dat hij het niet eens is met de verlaging van zijn toeslag ingevolge de TW in drie jaarlijkse stappen vanaf 1 januari 2001, leidend tot beëindiging van de toeslag per 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.