02/4123 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonpl[woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. W. Searle, advocaat te Hoorn, op bij nader beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder nummer WW 00/1338 op 27 juni 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 22 september 2004, waar appellant noch zijn raadsman zijn verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Knufman, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellant heeft in de periode van 5 augustus 1998 tot 12 oktober 1998 op grond van gedeeltelijke herleving van een eerder recht een WW-uitkering genoten. De uitkering is met ingang van 12 oktober 1998 beëindigd omdat appellant vanaf dat moment volledig als zelfstandige werkzaam was. Naar aanleiding van een melding van de politie Noord-Holland Noord dat appellant tijdens het genot van zijn uitkering een hennepplantage zou hebben gehad heeft gedaagde de opsporingsdienst regio Noord-West een onderzoek laten instellen. Op 16 november 1999 is door deze opsporingsdienst het rapport werknemersfraude uitgebracht, waarin, voor zover hier van belang, is geconcludeerd dat appellant gedurende de periode 21 januari 1997 tot 12 oktober 1999, dus ook in de periode waarin hij een WW-uitkering ontving, in zijn woning in [woonplaats] een hennepplantage heeft opgezet en verzorgd, welke werkzaamheden hij niet of niet volledig aan de uitkeringsinstantie heeft gemeld. De opsporingsfunctionaris schatte het aantal oogsten op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.