02/3479 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 31 mei 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr.: AWB 99/11971 AAWAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr. M.I. Steinmetz, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 september 2004, waar appellant, conform schriftelijke kennisgeving, zich niet heeft laten vertegenwoordigen, en waar voor gedaagde is verschenen mr. Steinmetz, voornoemd. II. MOTIVERING Gedaagde, werkzaam als monteur-constructeur werkplaats, is op 24 augustus 1995 uitgevallen met psychische klachten. Met ingang van 22 augustus 1996 heeft appellant aan gedaagde uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 14 mei 1997 heeft appellant, als resultaat van de zogeheten 1e jaars-herbeoordeling, de mate van arbeids-ongeschiktheid van gedaagde onveranderd vastgesteld op 80 tot 100%. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling d.d. 15 april 1997 ten grondslag volgens welke bij gedaagde gelet op een paranoïde persoonlijkheidsstoornis en depressie in engere zin met psychotische kenmerken geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden aanwezig zijn geacht. Bij besluit van 3 september 1997 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 14 mei 1997 ongegrond verklaard. Gedaagde is van dit besluit in beroep gekomen omdat hij zich ten minste gedeeltelijk arbeidsgeschikt achtte. De rechtbank heeft de psychiater dr. E.D.J. Lindenbergh als deskundige geraadpleegd. In zijn rapportage van 22 februari 1999 heeft de deskundige als zijn oordeel gegeven dat gedaagde op en na 15 april 1997 ongeschikt was voor zijn eigen werk bij zijn eigen werkgever maar in staat moest worden geacht tot het verrichten van andere werkzaamheden. Gelet op dit oordeel heeft de rechtbank bij uitspraak van 2 juni 1999 het besluit van 3 september 1997 vernietigd wegens een onjuiste medische grondslag en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met aanvullende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht door appellant aan gedaagde. Partijen hebben in deze uitspraak berust. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts I.L. Hoornstra vastgesteld welke beperkingen tot het verrichten van arbeid voor gedaagde met ingang van 15 april 1997 gelden. Dit is weergegeven in de rapportage van 15 juli 1999 en het formulier functie informatie systeem va/ad van gelijke datum. Op basis hiervan heeft de bezwaararbeids-deskundige G. Huisman gedaagde primair in staat geacht tot het verrichten van het eigen werk bij een andere werkgever en subsidiair in staat geacht gangbare functies te vervullen. Gelet hierop is bij besluit van 21 oktober 1999 het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 14 mei 1997 alsnog gegrond verklaard en zijn de uitkeringen van gedaagde ingevolge de AAW en de WAO per 15 april 1997 ingetrokken omdat gedaagde per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Gedaagde is tegen dit besluit in beroep gekomen omdat hij tot het inzicht is gekomen dat hij vanwege zijn psychische gezondheidstoestand veel zwaarder beperkt is dan door appellant thans is aangenomen en hij in verband daarmee op de datum in geding zo niet volledig dan toch gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. In het kader van dit beroep is gedaagde onderzocht door de psychiater M.H. Oeberius Kapteijn als deskundige van de rechtbank. In zijn rapport van 5 juli 2001 is deze deskundige tot het oordeel gekomen dat gedaagde op grond van een schizofreniforme stoornis, in remissie, en een gemengde persoonlijkheidsstoornis cluster A vermoedelijk reeds op de datum in geding nagenoeg integraal beperkt te achten is op de aspecten 28 A tot en met I van het belastbaarheids-patroon en aangewezen is op arbeid in een beschutte werkomgeving. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde op grond van het deskundigen-rapport van de psychiater Oeberius Kapteijn, bezien in samenhang met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts I.L Hoornstra van 23 maart 1999, op de hier in geding zijnde datum als volledig arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt. Gelet op het voor-gaande heeft de rechtbank het besluit van 21 oktober 1999 vernietigd en heeft zij met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat gedaagde alsnog met ingang van 15 april 1997 voor 80 tot 100% arbeids-ongeschikt is. Verder zijn aanvullende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven. Appellant heeft in hoger beroep aangegeven dat hij zich weliswaar ten materiële kan vinden in de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde naar 80 tot 100% per 15 april 1997, maar dat de uitspraak niet op goede gronden is genomen nu de rechtbank met haar beoordeling gelet op haar eerdere uitspraak van 2 juni 1999, die in kracht van gewijsde is gegaan, buiten de grenzen van het geding is getreden. Appellant stelt in dit verband dat het nadere besluit van 21 oktober 1999 is genomen ter uitvoering van, en volledig met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in, de uitspraak van 2 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.