03/4109 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Verweerster heeft onder dagtekening 30 juni 2003, kenmerk JZ/B70/2003/0416, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiseres op de in een aanvullend beroepschrift - met bijlagen -aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 september 2004, waar eiseres, met voorafgaand telefonisch bericht, niet is verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiseres, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. In het verleden is door verweerster aanvaard dat de bij eiseres aanwezige psychische klachten en status na TBC in het vereiste verband staan met de vervolging. Zodanig verband is niet aanvaard ten aanzien van haar rugklachten. In januari 2002 heeft eiseres bij verweerster een verzoek ingediend om krachtens de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een aantal voorzieningen samenhangend met een door haar te ondergane heupoperatie in verband met polyarthrose en cysten in haar bekken. Het betreft hier uitbreiding van huishoudelijke hulp, taxikosten, fysiotherapie (hydrotherapie) en de met de operatie en revalidatie gepaard gaande ongedekte medische kosten. Naar de mening van eiseres is het ontstaan van haar gewrichtsklachten toe te schrijven aan de ernstige ondervoeding tijdens haar verblijf in Japanse internerings-kampen tijdens de bezetting van het voormalige Nederlands-Indië. Verweerster heeft voormeld verzoek afgewezen bij besluit van 16 oktober 2002, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, onder meer op de grond dat de door polyarthrose veroorzaakte gewrichtklachten niet door de vervolging maar duidelijk door andere oorzaken zijn ontstaan. Met betrekking tot vervoer voor het onderhouden van sociale contacten acht verweerster voorts op grond van de in causaal verband met de vervolging staande klachten geen medische noodzaak aanwezig. Zij ziet evenmin op basis van die klachten een medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid voor uitbreiding van de reeds verstrekte voorziening voor extra huishoudelijke hulp; er is volgens verweerster geen sprake van (zelf)verwaarlozing of chaos in het huishouden. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. De bezwaren van eiseres richten zich in het bijzonder tegen de constatering dat haar artrose niet het gevolg zou zijn van de ondervoeding maar van duidelijk andere oorzaken. In dat verband heeft zij verwezen naar informatie van de Reumastichting en naar een wetenschappelijk artikel van de internist W.S. de Loos. Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster dat zodanig verband niet aanwezig is, in overeenstemming met de adviezen van haar geneeskundig adviseurs P. Windels d.d. 25 september 2002 en N.F. Vogel d.d. 18 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.