02/2871 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. J.H. Oude Wolcherink, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Breda, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 april 2002, reg.nr. 01/1276 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nog nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 21 september 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat te Roosendaal, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.J. Boomherts, werkzaam bij de gemeente Rucphen. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante heeft tot 1 september 2000 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen van gedaagde. Op 4 oktober 2000 diende zij bij gedaagde een nieuwe aanvraag om bijstand in. Zij stelde te wonen op het adres van haar grootouders aan de [adres] te [woonplaats]. In een rapport van de afdeling fraudebestrijding van de gemeente Breda van 4 december 2000 wordt op grond van de bevindingen van een onderzoek naar aanleiding van de aanvraag geconcludeerd dat appellante in de periode van 4 oktober 2000 tot en met 7 december 2000 haar hoofdverblijf bij haar ouders heeft aan de [adres 2] te [woonplaats 2], en niet op het door haar opgegeven adres. Gedaagde heeft daarin aanleiding gezien de aanvraag, voorzover betrekking hebbend op die periode, bij besluit van 29 maart 2001 af te wijzen. Bij besluit van 21 juni 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2001, voorzover daarbij de aanvraag is afgewezen, ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 juni 2001 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 63 Abw blijkt dat de wetgever door aansluiting te zoeken bij het woonplaatsbegrip in het BW heeft beoogd het aantal domiciliebepalingen in de Abw te verminderen en dat in verband met voormeld artikel 10 als hoofdregel is aangehouden dat als gemeente van bijstand is aangewezen de gemeente waar belanghebbende zijn woonstede heeft, en bij gebreke van een woonstede, de plaats van zijn werkelijk verblijf. In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Naar het oordeel van de Raad sluit dit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden geacht kan worden te zijn opgebroken. De Raad vindt hiervoor mede steun in de wetsgeschiedenis van voormeld artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.