02/5647 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 september 2002, reg.nr. 02/229 ABW. Hangende de behandeling van het hoger beroep is de gemeente Leidschendam samenge-gaan met de gemeente Voorburg. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 21 september 2004, waar appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.J.J. Kok, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant ontving vanaf maart 1995 een bijstandsuitkering laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Op 1 november 2000 heeft appellant aan gedaagde een op 30 oktober 2000 gedagtekende verklaring van de Islamitische Universiteit Rotterdam (IUR) overgelegd, inhoudende dat appellant voor het studiejaar 2000-2001 als voltijds student bij de IUR staat ingeschreven voor de opleiding Geestelijke verzorging, derde jaar Doctoraal 2 (D2). Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde bij besluit van 6 november 2000 het recht van appellant op bijstand met ingang van 1 november 2000 opgeschort, op de grond dat hij van het volgen van deze studie aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan, waardoor (de continuering van) het recht op bijstand vanaf die datum niet langer kan worden vastgesteld. Appellant is daarbij in de gelegenheid gesteld zijn situatie op 22 november 2000 bij de sociale dienst toe te lichten. Bij besluit van 22 december 2000 is het recht van appellant op bijstand met ingang van 1 september 2000 ingetrokken op de grond dat hij met ingang van die datum onderwijs volgt en ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw geen recht op bijstand heeft. Daarbij is aan appellant verzocht om voor 1 februari 2001 aan de hand van documenten inzicht te verschaffen in de in de studiejaren 1998-1999 en 1999-2000 door hem gevolgde studie. Bij besluit van 9 februari 2001 is het recht van appellant op bijstand over de periode van 1 september 1998 tot 1 september 2000 ingetrokken op de grond dat appellant niet de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt, waardoor het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Tevens heeft gedaagde de in de periode van 1 september 1998 tot 1 november 2000 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van f. 52.131,24, waarop in mindering komt het bedrag van de nog niet uitbe-taalde vakantietoeslag. De tegen de besluiten van 6 november 2000, 22 december 2000 en 9 februari 2001 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van gedaagde van 29 november 2001 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 29 november 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft deze uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij de Raad voor het van toepassing zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak, waarin dat kader uitvoerig is weergegeven. De opschorting Op grond van de gedingstukken staat vast dat appellant van het - in de verklaring van de IUR van 30 oktober 2000 vastgelegde - gegeven, dat hij voor het lopende studiejaar (2000-2001) bij die universiteit als voltijds student staat ingeschreven, niet eerder dan op 1 november 2000 aan gedaagde mededeling heeft gedaan. Het gaat hier om een voor de verlening van de bijstand van belang zijnd gegeven. Niet is gebleken dat het appellant niet kan worden verweten dat hij deze informatie niet eerder heeft verstrekt. Dat appellant in 1998 twee maal op een heronderzoeksformulier kenbaar heeft gemaakt dat hij voor 16 uur per week een avondstudie aan de IUR volgt maakt het voorgaande niet anders. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat gedaagde in dit nieuwe gegeven terecht aanleiding heeft gezien voor opschorting van het recht op bijstand. De intrekking per 1 september 2000 Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, nadat hij in de gelegenheid was gesteld zijn inschrijving bij de IUR toe te lichten, onvoldoende objectieve gegevens over de aard van zijn inschrijving en de omvang van zijn studiebelasting heeft overgelegd. Gedaagde heeft dan ook terecht zwaarwegende betekenis gehecht aan de verklaring van de IUR van 30 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.