02/5248 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 september 2002, nummer AWB 99/11717 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 september 2004, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uwv, terwijl namens gedaagde, zoals tevoren was bericht, niemand is verschenen. II. MOTIVERING Gedaagde is in mei 1998 uitgevallen met een hartinfarct; hij werkte voordien als magazijnmeester in een volledige werkweek. Bij besluit van 25 mei 1999 heeft appellant gedaagde met ingang van 3 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% toegekend. Gedaagde wordt door appellant op grond van ziekte of gebrek niet meer in staat geacht om in een volledige werkweek werkzaam te zijn als magazijnmeester. Wel wordt hij op 3 mei 1999 in staat geacht om te werken in voor hem geschikte functies in een volledige werkweek van 38 uur. Gedaagde kan daarmee volgens appellant een zodanig inkomen verdienen dat dit, vergeleken met zijn maatmaninkomen, een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van 15 tot 25%. Bij besluit van 9 november 1999, verder: het bestreden besluit, heeft appellant onder meer het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 25 mei 1999 ongegrond verklaard. Nadat gedaagde tegen het bestreden besluit beroep had ingesteld heeft de rechtbank de cardioloog H.J.J. Kerkkamp als deskundige een rapport van 27 april 2002 over de gezondheidstoestand van gedaagde laten uitbrengen. De cardioloog Kerkkamp geeft in zijn rapportage aan dat de 38 uur per week, waarin in de geselecteerde functies moet worden gewerkt, te lang is voor gedaagde. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op het oordeel van de deskundige appellant de medische beperkingen van gedaagde heeft onderschat. Het bestreden besluit is vervolgens wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd met de opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen. Appellant heeft hoger beroep ingesteld in de lijn van een daartoe strekkend advies van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst. Deze stelt in zijn notitie van 30 september 2002 dat de cardioloog Kerkkamp terecht heeft gesteld dat er geruime tijd na het acute stadium van het infarct remodellering van het hart kan optreden waardoor alsnog tekenen van hartfalen kunnen optreden. Voorts stelt hij dat Kerkkamp niet heeft geargumenteerd waarom zijn bevindingen van kracht zouden zijn omstreeks de datum in geding. De Raad moet in dit geding de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht het bestreden besluit niet in stand heeft gelaten. De Raad overweegt als volgt. In zijn rapport aan de rechtbank heeft de cardioloog Kerkkamp met betrekking tot het geschil het volgende overwogen: "...A
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.