02/4168 WW en 02/4170 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift van 12 september 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 juli 2002, nrs. AWB 01/1394 WW en AWB 02/1092 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 augustus 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.S.J. de Korte, advocaat te ’s-Gravenhage. II. MOTIVERING Gedaagde heeft in de jaren 1999 en 2000 via Radiance Services uitzendbureau (hierna te noemen: Radiance) in de bloembollensector gewerkt als magazijnmedewerker bij BCC De Ree. Laatstelijk was hij daar werkzaam van 5 november 1999 tot en met 17 maart 2000. Op 24 maart 2000 en op 1 juli 2000 heeft gedaagde ter zake van zijn na 17 maart 2000 ingetreden werkloosheid aanvragen om een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (hierna WW) ingediend. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat sprake was van een dienstverband voor bepaalde tijd en dat daaraan een einde is gekomen doordat de werkzaamheden in verband met het einde van het seizoen afliepen. Bij besluit van 5 juni 2000 heeft appellant beslist dat gedaagde geen recht heeft op een WW-uitkering omdat geen sprake is van werkloosheid in de zin van artikel 16 van de WW. Omdat gedaagde geen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had overgelegd is appellant ervan uitgegaan dat gedaagde een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had met Radiance, welke niet rechtsgeldig was beëindigd, zodat hij recht had op loondoorbetaling. Bij beslissing op bezwaar van 9 maart 2001 heeft appellant dit besluit gehandhaafd en daaraan subsidiair ten grondslag gelegd dat de uitkering blijvend geheel moet worden geweigerd omdat gedaagde een benadelinghandeling in de zin van artikel 24, zesde lid, van de WW heeft gepleegd. Bij besluit van 12 maart 2001 heeft appellant vervolgens de aan gedaagde verstrekte voorschotten ingetrokken en bij besluit van 13 maart 2001 heeft hij deze tot een bedrag van f 13.224,10 teruggevorderd. Deze besluiten zijn bij beslissing op bezwaar van 11 februari 2002 gehandhaafd. De rechtbank heeft de beroepen van gedaagde tegen de besluiten van 9 maart 2001 en 11 februari 2002 bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het Uwv opgedragen aan gedaagde het griffierecht te vergoeden. De rechtbank heeft overwogen dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat gedaagde en Radiance een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd waren aangegaan en zij achtte voldoende aannemelijk dat tussen gedaagde en Radiance sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van het seizoen. De rechtbank verbond hieraan de conclusie dat appellant er ten onrechte vanuit is gegaan dat recht bestond op loondoorbetaling en dat de weigering van uitkering in strijd is met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. De subsidiaire weigeringsgrond heeft de rechtbank buiten bespreking gelaten. Ter zitting van de Raad heeft appellant de subsidiaire grond waarop het besluit van 9 maart 2001 is gebaseerd ingetrokken. De Raad zal die grond derhalve onbesproken laten en zich bij de beoordeling van dit besluit beperken tot de primaire grond, inhoudende dat gedaagde niet werkloos is geworden in de zin van artikel 16 van de WW, omdat gedaagde recht had op onverminderde doorbetaling van zijn loon. De Raad overweegt het volgende. Partijen verschillen van mening over de aard van de arbeidsovereenkomst tussen gedaagde en Radiance. Vast staat dat een schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen gedaagde en Radiance ontbreekt. Voorts blijkt uit de stukken niet dat een uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is overeengekomen tussen gedaagde en Radiance. Zodanig beding zou ingevolge artikel 7:691, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek op 17 maart 2000 overigens niet meer van kracht zijn geweest omdat gedaagde toen al meer dan 26 weken arbeid had verricht voor Radiance. Gedaagde heeft een drietal stukken overgelegd ten bewijze van zijn stelling dat hij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had met Radiance. Het gaat hier om: - een verklaring personeel Radiance Services van Radiance, gedateerd 26 augustus 1999 en geaccordeerd door gedaagde, inhoudende, voor zover hier van belang, dat gedaagde verklaart akkoord te gaan met de in de huisregels van BCC De Ree vermelde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het hem niet is toegestaan in de periode van 1 juli tot 31 september en van 1 november tot 28
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.