02/6576 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 8 augustus 2001 heeft gedaagde bepaald dat appellant op en na 4 mei 2001 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat hij niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 20 december 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 25 november 2002 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen die uitspraak op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadien nog nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 september 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn vader, en waar namens gedaagde is verschenen mr. A.J.G. Lindeman, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: "Op 1 september 1997 is eiser bij AMEV gaan werken op basis van een jaarcontract als trainee bij de afdeling pensioen en zorg. Op 15 september 1997 heeft eiser zich ziek gemeld in verband met vermoeidheidsklachten, evenwichtsproblemen en clusterhoofdpijn. Bij besluit van 24 februari 1999 heeft verweerder de uitkering die eiser ontving ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 16 april 1999 ingetrokken aangezien verweerder eiser ingaande deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt heeft geacht. Tegen dit besluit heeft eiser rechtsmiddelen aangewend dat uiteindelijk heeft geresulteerd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 oktober 2002, registratienummer 00/3180 WAO. De Raad heeft allereerst aanleiding gezien de neuroloog Beijersbergen tot deskundige te benoemen. Neuroloog Beijersbergen heeft de Raad bij rapport van 9 januari 2002 van advies en verslag gediend. Vervolgens heeft de Raad geoordeeld dat, gelet op de beschikbare medische gegevens, onvoldoende is komen vast te staan dat eiser op de datum in geding buiten staat was zijn maatmanarbeid te verrichten in verband met beperkingen voortvloeiend uit ziekte of gebrek. Met ingang van 16 april 1999 heeft eiser een uitkering op grond van de Werkeloosheidswet (WW) ontvangen. Van 12 juli 1999 tot 16 december 2000 heeft eiser parttime gewerkt (10 uur in de week) bij de Verzekeringsunie. Vanaf 19 maart 2001 werkt eiser opnieuw parttime (10 uur in de week) bij de Verzekeringsunie. Voor de overige 30 uur in de week ontving eiser een WW-uitkering. Op 4 mei 2001 heeft eiser zich vanuit de WW voor 30 uur in de week ziek gemeld in verband met vermoeidheid en clusterhoofdpijn. Op 8 augustus 2001 is eiser op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen duidelijke aantoonbare wijziging is opgetreden in het klachtenpatroon van eiser sinds de laatste keuring d.d. 26 mei 1999 in het kader van de WAO-beoordeling. De verzekeringsarts onderschrijft dan ook de conclusies van genoemde keuring en concludeert dat eiser arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk. Bij besluit van 8 augustus 2001 heeft verweerder vastgesteld dat eiser met ingang van 4 mei 2001 geen recht (meer) heeft op ziekengeld, omdat hij op en na die datum niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid." Het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2001 is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de beschikbare (medische) gegevens geen medische argumenten opleveren om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder overweging dat op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens niet kan worden geconcludeerd tot objectiveerbare afwijkingen in de gezondheidstoestand van appellant. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2002 en sluit zich aan bij de overwegingen van de Raad in die zaak. In het aanvullend beroepschrift en bij de behandeling van deze zaak ter zitting van de Raad is door appellant aangevoerd dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 16 april 1999 en de thans in geding zijnde beoordeling voor de ZW per 4 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.