02/4018 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Woerden, op de gronden aangegeven in het aanvullend beroepschrift hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 26 juni 2002, reg.nr. AWB 01/3742 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 1 september 2004, waar voor appellant is verschenen mr. Meerbach voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door W. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellant is van 18 november 1996 tot 10 januari 2001 in dienst geweest van [werkgever] te Almere (hierna: de werkgever) in de functie van timmerman. Vanaf 10 juli 1999 is appellant geconfronteerd met achterstanden in de bijboeking van de vakantierechtwaarden alsmede van de risico- en pensioenpremie (hierna: de rechtwaar- den). Hoewel sindsdien wel bijboekingen over recentere perioden zijn verricht, zijn de achterstanden verder opgelopen. Uiteindelijk heeft de bemoeienis van de door appellant in augustus 2000 ingeschakelde Nederlandse Bond voor de Bouw- en Houtnijverheid (FNV Bouw) geleid tot een dagvaarding d.d. 21 december 2000 en een vonnis van de kantonrechter te Lelystad van 10 januari 2001, waarbij de werkgever is veroordeeld tot het voldoen van de rechtwaarden vanaf 24 april 2000 tot aan de datum van het vonnis. Naar aanleiding van de aanvraag daartoe van gedaagde van 25 september 2000 is de werkgever op 10 januari 2001 failliet verklaard. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 19 oktober 2001 heeft gedaagde het besluit van 6 juli 2001 gehandhaafd, waarbij is geweigerd met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW de achterstallige rechtwaarden over de periode van 22 mei 2000 tot en met 9 januari 2001 over te nemen op de grond dat sprake is van een benadelingshandeling. Hierbij is overwogen dat van appellant verwacht had mogen worden dat hij de werkgever tijdig, gericht en adequaat had aangesproken op zijn verplichtingen, uiteindelijk door bijvoorbeeld tijdig een dagvaarding uit te laten brengen. Hiervan is onvoldoende gebleken. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 19 oktober 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft -samengevat- overwogen dat de werkgever vanaf 10 juli 1999 de rechtwaarden zeer onregelmatig bijboekte en dat er vanaf die datum voor appellant aanleiding bestond om de werkgever te bewegen tot regelmatige bijboeking en, uiteindelijk, te dagvaarden. Nu de werkgever eerst op 11 december 2000 namens appellant is aangeschreven, heeft appellant een benadelings- handeling als bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW gepleegd. In een dergelijk geval schrijft artikel 7, eerste lid, van het Maatregelenbesluit Tica in beginsel een maatregel voor van volledige weigering. Voorts is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. In hoger beroep is aangevoerd dat appellant bij zijn werkgever diverse malen mondeling heeft aangedrongen op voldoening van de achterstallige verplichtingen jegens appellant en toen dat niet tot volledige betaling van het tegoed leidde, heeft hij in september 2000 zijn vakbond ingeschakeld. Ter onderbouwing van deze stelling zijn brieven overgelegd van 28 september 2000 en 13 november 2000 waarbij de werkgever namens appellant door FNV Bouw, respectievelijk FNV Ledenservice is gesommeerd over te gaan tot bijschrijving van de rechtwaarden over de periode vanaf 24 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.