02/1261 AAW/WAO + 04/4165 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. Namens appellant heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 december 2001, nr. AWB 00/12039 AAWAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 14 mei 2002 en 18 juni 2002 heeft de gemachtigde van appellant nadere stukken in het geding gebracht. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 27 juli 2004 enige stukken aan de Raad doen toekomen en bij schrijven van 29 juli 2004 – onder meer – een nader besluit van diezelfde datum ingezonden. Van de zijde van appellant is bij brieven van 10 augustus 2004 en 15 september 2004 op deze stukken gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 oktober 2004, waar appellant zich – zoals tevoren bericht – niet heeft laten vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is verschenen F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Appellant, die woont in België, is op 29 augustus 1994 arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk als grondwerker/fitter in dienst van [werkgever] te [vestigingsplaats] wegens rug- en rechter knieklachten. Nadat een medische en arbeidskundige beoordeling had plaatsgevonden, heeft gedaagde bij besluit van 11 augustus 1995 (hierna: besluit 1) geweigerd ingaande 28 augustus 1995 aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat zijn arbeidsongeschiktheid per laatstgenoemde datum minder dan 15% bedroeg. Bij uitspraak van 25 november 1996, nr. AWB 96/3391 AAWAO, heeft de rechtbank het door appellant tegen besluit 1 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat appellant ingevolge artikel 51 van de EG-verordening 574/72 en artikel 21 van de Belgisch-Nederlandse Overeenkomst van 12 augustus 1982 inzake ziekengeld, moederschaps- en invaliditeitsverzekering (Trb. 1982, 181 en 1984, 34) voorafgaand aan het bestreden besluit door het bevoegde Belgische orgaan had moeten worden onderzocht. Nadat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op 10 december 1998 arrest had gewezen in een tweetal soortgelijke geschillen (C-279/97, Voeten en Beckers), heeft de Raad bij uitspraak van 22 september 2000, registratienummer 97/213 AAW/WAO, de uitspraak van de rechtbank van 25 november 1996 vernietigd en de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet teruggewezen naar de rechtbank. Daarbij heeft de Raad het volgende overwogen: "De Raad stelt voorop dat uit het hiervoor genoemde arrest van het Hof voortvloeit dat artikel 40 van Vo. 574/72 zich er niet tegen verzet, dat het bevoegde orgaan, wanneer het gaat om de eerste vaststelling van een invaliditeitsuitkering aan een persoon die woont op het grondgebied van een andere lid-staat dan die van het bevoegde orgaan, de mate van invaliditeit op basis van zijn eigen medisch onderzoek bepaalt, zonder eerst een onderzoek door het orgaan van de woonplaats te hebben gevraagd. Het bevoegde orgaan dient wel rekening te houden met medische en andere gegevens afkomstig van het orgaan van de woonstaat van de betrokkene. Wat betreft de toepasselijkheid van artikel 40 van Vo. 574/72 heeft de Raad in zijn uitspraken van 15 december 1999 (USZ 2000/50) voorts nog overwogen dat dit artikel zonder meer van toepassing is, wanneer het medisch onderzoek waarop een besluit steunt is afgerond voordat de wachttijd ingevolge de AAW en de WAO is verstreken. Nu het medisch onderzoek waarop het bestreden besluit steunt was afgerond ruim voordat de wachttijd was verstreken is de Raad, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat het appellant vrijstond gedaagde te onderzoeken en te beoordelen zonder voorafgaand onderzoek door het bevoegde Belgische orgaan. De Raad merkt in dit verband nog op dat niet is gebleken dat er relevante medische stukken van laatstbedoeld orgaan bestonden waarmee appellant rekening had moeten houden. Dit betekent dat de grond waar de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de vernietiging van het bestreden besluit op heeft gebaseerd niet kan stand houden. Voorts is de Raad van oordeel dat het geding nadere behandeling door de rechtbank behoeft, nu namens gedaagde expliciet is verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank en de namens gedaagde aangevoerde medische en arbeidskundige grieven tegen het bestreden besluit een behandeling ervan in twee instanties rechtvaardigen. De Raad acht het derhalve gewenst de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank te ’s-Gravenhage." Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende aandacht heeft besteed aan het feit dat de behandelend reumatoloog dr. A. Minne appellant aanzienlijk beperkt acht en van mening is dat hij niet geschikt is voor de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies. De gemachtigde van appellant stelt zich op het standpunt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapportage zeer summier is en geen medische motivering bevat. Geen rekening is gehouden met het feit dat de geselecteerde functies overwegend zittend vervuld moeten worden en dat onduidelijkheid bestaat omtrent de mogelijkheid om zitten en staan af te wisselen of om te vertreden. Voorts is, onder verwijzing naar overgelegde salarisgegevens, betoogd dat het voor appellant geldende maatmaninkomen niet juist is vastgesteld en is erop gewezen dat bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit ten onrechte is uitgegaan van een uurloonvergelijking; op grond van de destijds geldende jurisprudentie had een maandloonvergelijking moeten plaatsvinden. Gedaagde heeft in de van de zijde van appellant aangedragen salarisgegevens aanleiding gevonden het maatmaninkomen van appellant opnieuw vast te stellen. Het resultaat van deze herberekening is neergelegd in een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom van 10 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.