E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/4510 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is mr. A.H.J. Damminga, advocaat te Zwolle, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Zwolle op 18 juli 2002 onder nummer AWB 01/14000 WW tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep van appellante tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 7 december 2001 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 september 2004, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Damminga voornoemd, en waar gedaagde, met bericht, zich niet heeft doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellante is op 10 juni 1998 in dienst getreden van Aldi Ommen B.V. (hierna: de werkgever), en tewerkgesteld in de vestiging Dronten, in de functie van filiaalmede-werkster/caissière voor 24 uur per week. Op 4 juli 2000 is zij met zwangerschapsverlof gegaan. Op 16 augustus 2000 is zij bevallen. In verband met gezondheidsklachten werd zij ongeschikt geacht om haar werk te verrichten en heeft zij haar werkzaamheden niet hervat. Appellante is diverse malen onderzocht door de arbodienst. Naar aanleiding van die onderzoeken zijn pogingen tot werkhervatting ondernomen en dienaangaand afspraken gemaakt. Op 5 december 2000 is appellante onderzocht door een arts van de arbodienst die heeft geconcludeerd dat appellante nog steeds volledig arbeidsongeschikt was. Per 1 februari 2001 werd appellante geacht op therapeutische basis twee maal drie uur per week te kunnen werken. Appellante heeft een aanvang met deze werkzaamheden gemaakt, maar heeft deze vervolgens gestaakt. De werkgever heeft sedert laatstgenoemde datum geen loon meer betaald. Op 6 april 2001 werd appellante volledig hersteld geacht. Zij heeft haar werkzaamheden niet meer hervat. Op 23 juli 2001 heeft de werkgever zich gericht tot de kantonrechter Lelystad met het verzoek de arbeidsovereenkomst met appellante te ontbinden. De kantonrechter heeft vervolgens op 30 juli 2001 de arbeidsovereenkomst per die datum ontbonden en in diens beschikking aangegeven dat appellante geen verwijt treft. Op 11 augustus 2001 heeft appellante een WW-uitkering aangevraagd. Die uitkering is haar bij besluit van 19 oktober 2001 blijvend geheel geweigerd onder de overweging dat zij is ontslagen omdat zij niet meer bij haar werkgever is verschenen omdat zij zichzelf arbeidsongeschikt achtte terwijl de arbodienst haar arbeidsgeschikt vond. Volgens gedaagde was er in dit geval dus sprake van onwettig verzuim en is appellante verwijtbaar werkloos geworden. Het tegen dat besluit gerichte bezwaar heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante niet aan het werk is gegaan terwijl zij daartoe objectief medisch gezien wel in staat werd geacht. Volgens de rechtbank had appellante zich, als zij zich niet kon verenigen met de hersteldverklaring, daartegen in het kader van de toepassing van de Ziektewet kunnen verzetten. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet is gebleken van een zodanige psychische problematiek dat appellante op grond daarvan de gevolgen van haar handelswijze niet kon overzien. Om die reden zag de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het niet nakomen van de verplichting om niet werkloos te worden appellante niet in overwegende mate te verwijten viel. In hoger beroep heeft appellante onder meer betoogd dat onjuiste conclusies zijn getrokken met betrekking tot haar medische situatie. Daartoe verwijst zij naar de door haar ondervonden postnatale depressie waarvoor zij onder behandeling was bij haar huisarts en waarvoor medicijnen waren voorschreven. Tevens benadrukt appellante dat zij voor medische informatie heeft verwezen naar haar huisarts, maar dat gedaagde of de rechtbank dienaangaand geen nadere informatie hebben ingewonnen of een onderzoek hebben ingesteld. De Raad overweegt als volgt. Afgaande op de stukken, heeft gedaagde zich voor het bestreden besluit vooral gebaseerd op hetgeen van de zijde van de werkgever telefonisch aan informatie is ingebracht, alsmede op een brief van de werkgever van 13 februari 2001, het enige schriftelijke stuk van de werkgever dat zich in het dossier bevindt. In die brief is weergegeven dat appellante op 27 november 2000, 8 januari 2001 en op 26 januari 2001 op arbeidstherapeutische basis haar werkzaamheden zou hervatten en dat dit niet is geschied. Tevens is in die brief opgenomen dat appellante in het kader van een second opinion per 1 februari 2001 in staat werd geacht haar werkzaamheden te hervatten. Eerst in hoger beroep zijn door gedaagde stukken met betrekking tot de ziekte van appellante ingebracht. Uit die stukken blijkt niet van afspraken met de arbodienst over werkhervatting op 27 november 2000, 8 januari 2001 of 26 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.