E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/5151 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 september 2002, nr. AWB 01/2916 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 september 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoor-digen door mr. J.J. Grasmeijer, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals deze luidden ten tijde hier in geding. Appellant is op 1 mei 2000 in dienst getreden bij de heer [naam werkgever], handelend onder de naam Restaurant [naam Restaurant] te [vestigingsplaats]. Op 23 november 2000 heeft hij een WW-uitkering aangevraagd ter zake van zijn ontslag per 1 november 2000 uit voormeld dienstverband. Bij besluit van 18 januari 2000 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant op en na 1 november 2000 recht had op onverminderde doorbetaling van zijn loon. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die appellant was aangegaan met zijn werkgever geen einddatum bevatte, dat het contract daarom een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd betrof en dat voor de beëindiging van een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:667, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) voorafgaande opzegging nodig is. Aangezien de dienstbetrekking van appellant op 1 november 2000 niet op rechtmatige wijze is beëindigd, meent gedaagde dat appellant vanaf die datum recht had op onverminderde doorbetaling van zijn loon. Gedaagde heeft zijn standpunt, na bezwaar, gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 4 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.