03/1422 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen:[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. B.N. Kloostra, advocaat te Groningen, op bij aanvullend beroepschrift en nader bij brief van 1 april 2004, met bijlage, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank Groningen op 13 februari 2003 onder kenmerk 01/903 gewezen uitspraak. Bij brieven van 12 juni 2003 en 8 oktober 2004 heeft appellante nog stukken in het geding gebracht. Gedaagde heeft een, bij brief van 6 februari 2004 aangevuld, verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 oktober 2004, waar appellante zich heeft laten vertegen- woordigen door mr. Kloostra, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. F. Verhaart, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante exploiteert sedert 26 februari 1998 een café en een café-restaurant. In het tijdvak van 19 november tot en met 3 december 1999 heeft een looncontrole plaats gevonden. Hierbij is geconstateerd dat werkbriefjes (met de gewerkte uren) in de loonadministratie ontbraken. De meeste medewerkers zijn in de loonadministratie als hulpkrachten in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de horeca- en aanverwante bedrijven (Horeca-CAO) verantwoord. Op deze mede- werkers betrekking hebbende werkroosters waren evenmin in de administratie aanwezig. Wekelijks vonden aan deze werknemers kasbetalingen plaats; niettemin heeft appellante voor de inhoudingen de zogenaamde vierwekentabel toegepast. Van sommige medewerkers is geen loonbelastingverklaring aangetroffen. De aan twee koks verstrekte warme maaltijden zijn door appellante niet in de inhouding van de premies werknemersverzekeringen betrokken. Van een aantal werknemers ontbrak een kopie van een op grond van de Wet op de Identificatieplicht (WID) toegelaten identiteitsbewijs. Deze constateringen hebben geleid tot een correctienota van 22 september 2000 waarbij over 1998 premies werk- nemersverzekeringen van appellante zijn nageheven. Tevens heeft gedaagde bij besluit van 27 september 2000 een boete ad 25% opgelegd. Het tegen die besluiten gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit van 13 september 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 13 september 2001 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De Raad overweegt het volgende. De klacht van appellante dat het onderzoek vanwege gedaagde onzorgvuldig is geweest, nu de start daarvan is gelegen in door twee van haar ex-werknemers afgelegde verklaringen, terwijl de personalia van deze werknemers tot in het geding in hoger beroep onleesbaar waren gemaakt, faalt, reeds omdat, anders dan appellante in dit verband heeft aangevoerd, de besluitvorming van gedaagde niet op deze verklaringen, maar op de resultaten van de looncontrole is gebaseerd. Voorts heeft appellante op verschillende gronden betoogd dat gedaagde een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 3 van het Fooienbesluit (Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 21 december 1989, Stcrt. 1989, 252). Ook dit betoog faalt. De Raad volstaat met de verwijzing naar zijn uitspraak van 22 juli 2004, USZ 2004,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.