E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/5967 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage onder dagtekening 4 november 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer AWB 01/4219 WAO. Gedaagde heeft van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 oktober 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. Samama, en waar namens gedaagde is verschenen mr. R. Rijk, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij besluit van 17 juli 2000, zoals dat naar zijn kennelijke bedoeling dient te worden opgevat, heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 juli 2000 ingetrokken. Hieraan ten grondslag ligt het standpunt van gedaagde dat appellante als gevolg van de voor haar vastgestelde beperkingen weliswaar niet meer geschikt is voor het eigen maatgevende werk als wasserijmedewerkster, maar nog wel in staat is met diverse andere loondienstfuncties een zodanig loon te verwerven dat niet langer sprake is van enig verlies van verdiencapaciteit. Als gevolg van miscommunicatie tussen functionarissen en/of afdelingen van gedaagdes administratie is in eerste instantie het namens appellante tegen het besluit van 17 juli 2000 gemaakte bezwaar abusievelijk gegrond verklaard, is dat besluit ingetrokken en is aan appellante wederom uitkering betaald op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft kort nadien aan appellante doen weten dat een en ander op een vergissing berustte, dat de bezwaarprocedure wordt voortgezet en dat, ongeacht de uitkomst van die procedure, de recentelijk aan appellante (weer) verstrekte uitkering niet van haar zal worden teruggevorderd, als compensatie voor het ontstane ongemak. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 23 november 2001, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2000 ongegrond verklaard. Gelet op de uitkomsten van de heroverweging in bezwaar blijft gedaagde, aldus het bestreden besluit, van oordeel dat appellante op en na 10 juli 2000 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering. Tevens heeft gedaagde in het bestreden besluit evenwel meegedeeld dat uit een oogpunt van zorgvuldigheid is besloten om de betalingen eerst te beëindigen per 31 januari 2002 (bedoeld zal zijn: per 1 februari 2002). De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, waar ook gedaagdes gemachtigde desgevraagd heeft aangegeven dat de voortgezette betalingen op en na 10 juli 2000 bezwaarlijk anders kunnen worden beschouwd dan als te zijn gedaan ten titel van uitkering, overweegt de Raad dat op grond van het bovenstaande moet worden vastgesteld dat appellante WAO-uitkering is blijven ontvangen tot en met 31 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.