01/6013 AOW en 03/387 AOW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (Zwitserland), appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Appellante heeft op daartoe bij beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2001, nr. AWB 00/4976 AOW, en 12 december 2002, nr. AWB 01/4320 WFV, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 13 mei 2002 nog enkele stukken in het geding gebracht. Bij brief van 24 september 2004 heeft appellante haar standpunt nader toegelicht. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 15 oktober 2004, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Appellante is [in] 1942 geboren en bezit de Nederlandse nationaliteit. In november 1996 is zij met haar echtgenoot vanuit Nederland verhuisd naar Zwitserland, alwaar zij sindsdien woont. De echtgenoot van appellante heeft op 27 december 1997 de leeftijd van 65 jaar bereikt en ontvangt vanaf december 1997 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Gedaagde heeft appellante vanaf de datum van haar vestiging in Zwitserland toegelaten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 10 augustus 2000 heeft gedaagde de door appellante verschuldigde premie voor de vrijwillige AOW/ANW verzekering over het jaar 1998 definitief vastgesteld op f 463,55, zijnde de over dat jaar minimaal verschuldigde premie. Bij beslissing op bezwaar van 11 oktober 2000 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen het besluit van 10 augustus 2000 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat in 1998 slechts een gecombineerde vrijwillige verzekering voor de AOW en de ANW mogelijk was. Bij besluit van 5 juli 2001 heeft gedaagde de door appellante verschuldigde premie voor de vrijwillige AOW/ANW verzekering over het jaar 2001 (voorlopig) vastgesteld op f 934,20, zijnde de over dat jaar minimaal verschuldigde premie. Bij beslissing op bezwaar van 23 oktober 2001 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen het besluit van 5 juli 2001 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat met ingang van 1 januari 2001 de minimaal verschuldigde premie is verhoogd van 5 naar 10% van de maximaal verschuldigde premies AOW en ANW. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW van 2 januari 1990, Stb. 38 (hierna: KB 38), zoals dat luidde tot 1 januari 2001, en het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW van 8 mei 2001, Stb. 224 (hierna: KB 224), zoals dat luidt vanaf 1 januari 2001, de hoogte van de minimaal verschuldigde premie dwingend wettelijk is geregeld, zodat gedaagde in beginsel niet van deze besluiten kan afwijken. Voorts is overwogen dat in 1998 slechts een gecombineerde vrijwillige verzekering mogelijk was en dat vanaf 1 januari 2000 (lees: 2001) wel de mogelijkheid bestaat van vrijwillige verzekering voor één van deze wetten. Ten slotte heeft de rechtbank ten aanzien besluit 2 overwogen dat de Overeenkomst gesloten tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Zwitserse Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, nr. 16, hierna: de Overeenkomst) eerst op 1 juni 2002 in werking is getreden, zodat deze geen betrekking kan hebben op het in dat geding aan de orde zijnde jaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.