03/3799 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. L.A.M. de Groot Heupner, verbonden aan De Groot Heupner BV te Wijchen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 juli 2003, nr. AWB 02/2231 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 27 oktober 2004, waar voor appellant is verschenen mr. D.A.M. Lagarrigue, kantoorgenoot van mr. De Groot Heupner voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals deze luidden ten tijde hier van belang. Bij besluit van 25 januari 2002 heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de WW herzien met ingang van 20 januari 1998, omdat met ingang van die dag de eveneens aan appellant toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, werd herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Door een omissie bij gedaagde is nagelaten het aan appellant uit te keren bedrag aan WW-uitkering op een eerder moment in overeenstemming te brengen met de herziene WAO-uitkering. Ten gevolge hiervan is vanaf 20 januari 1998 teveel WW-uitkering aan appellant uitbetaald. Bij besluit van 30 januari 2002 heeft gedaagde de over de periode van 20 januari 1998 tot 1 januari 2002 onverschuldigd betaalde WW-uitkering ad € 7.405,68 van appellant teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 9 september 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant voorzover dat was gericht tegen het besluit van 25 januari 2002 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar gericht tegen het besluit van 30 januari 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, dat uitsluitend was gericht tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het besluit tot terugvordering is gehandhaafd, ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat gedaagde, door vanaf het eerste terugvorderingssignaal ruim drie jaar en zes maanden te wachten met het besluit tot terugvordering, de grenzen van de zorgvuldigheid heeft overschreden en daarom geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Appellant doet daarbij een beroep op ’s Raads uitspraak van 18 december 2001, RSV 2002,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.