02/4788 BPW U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats] (Venezuela), eiser, en de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 18 april 2002, kenmerk 86110, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet), welk besluit in fotokopie aan deze uitspraak is gehecht. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de Raad. In het beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Bij uitspraak van 23 april 2003 heeft de Raad dit beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift niet tijdig was ingediend. Het door eiser tegen deze uitspraak gedane verzet heeft de Raad - na behandeling daarvan ter zitting op 5 februari 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen - bij uitspraak van 18 maart 2004 gegrond verklaard, onder overweging dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Het geding is vervolgens op de gewone wijze voortgezet. Verweerster heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 oktober 2004, alwaar eiser niet is verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken heeft eiser in november 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem op grond van de Wet een buitengewoon pensioen toe te kennen. Ingevolge artikel 24, derde (vóór 1 januari 2001: tweede) lid, van de Wet moet degene die een aanvraag heeft ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen krachtens de Wet, kunnen wijzen op een verklaring van de Stichting 1940-1945, waaruit blijkt dat hij heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet en/of tot één van de categorieën van personen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet op wie de Wet van overeenkomstige toepassing is. Bij schrijven van 27 juli 2000 heeft de Stichting 1940-1945 aangegeven na ingesteld onderzoek niet te kunnen verklaren dat eiser heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet, alsmede dat naar haar oordeel artikel 1, tweede lid, van de Wet niet van toepassing is. Ingevolge artikel 24, vierde (derde) lid, van de Wet, kan verweerster, indien de Stichting 1940-1945 een voor de betrokkene negatieve verklaring heeft afgegeven, niettemin buitengewoon pensioen verlenen, indien naar haar oordeel de belanghebbende daarop anders aanspraak had kunnen maken. Verweerster heeft echter bij besluit d.d. 22 september 2000, zoals na gemaakt bewaar gehandhaafd - overeenkomstig het nader bericht van de Stichting 1940-1945 van 21 februari 2002 - bij het bestreden besluit, geen termen aanwezig geacht deze bepaling ten aanzien van eiser toe te passen en mitsdien de aanvraag van eiser om toekenning van een buitengewoon pensioen afgewezen. Nu niet is gebleken van strijd met de wet en het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid van verweerster, dient de Raad na te gaan of gezegd moet worden, dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. De Raad overweegt dienaangaande als volgt. Bij zijn aanvraag om buitengewoon pensioen heeft eiser, geboren in 1923, gewezen op - samengevat - zijn lidmaatschap van een illegale organisatie vanaf 1941/1942, verspreiding van illegale lectuur van 1942 tot 1944, betrokkenheid bij vervoer van wapens en wapeninstructie vanaf 1942/1943, hulp aan joodse landgenoten waaronder het onderbrengen van een onderduiker, alsmede lidmaatschap van de OD en de BS vanaf september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.