03/5142 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 18 september 2003, kenmerk JZ/B70/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, namens eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 oktober 2004, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel voornoemd, en waar verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Na gemaakt bezwaar heeft verweerster bij besluit van 17 oktober 1995 zijn afwijzende beslissing gehandhaafd met betrekking tot een aanvraag van eiseres (geboren in 1948) om als zogenoemd 2e generatie-oorlogsslachtoffer met toepassing van artikel 3, tweede lid, oud, van de Wet met de vervolgde te worden gelijkgesteld. Daartoe heeft verweerster overwogen dat de ziekten of gebreken waaraan eiseres leed niet in overwegende mate verband houden met de vervolging van haar ouders. Eiseres heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. In september 2002 heeft de gemachtigde van eiseres zich gewend tot verweerster met een verzoek om het besluit van 17 oktober 1995 te herzien en eiseres alsnog met de vervolgde gelijk te stellen. Op dat verzoek is afwijzend beslist bij besluit van 29 oktober 2002 en verweerster heeft die afwijzing, nadat daartegen door de gemachtigde van eiseres bezwaar was gemaakt, gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daarbij heeft verweerster overwogen dat weliswaar is gebleken dat aan de afwijzing van de eerdere aanvraag een aperte, aan haar verwijtbare fout ten grondslag heeft gelegen - eruit bestaande dat destijds is verzuimd om aan de psychiater J.D.J. Tilanus die eiseres heeft onderzocht de gegevens over de vader en de oudste zuster van eiseres ter beschikking te stellen - doch dat deze fout is hersteld doordat aan deze psychiater alsnog die gegevens zijn toegezonden en aan hem is gevraagd of deze hem aanleiding geven tot wijzigingen in zijn eerder uitgebrachte rapport. Aangezien hij daarop heeft verklaard dat hij niet tot een andere conclusie zou zijn gekomen, indien hij destijds al de beschikking zou hebben gehad over die gegevens, en de geneeskundig adviseur van verweerster geen aanleiding heeft om te twijfelen over de juistheid van deze verklaring, zijn er naar de opvatting van verweerster geen redenen om aan het verzoek om herziening te voldoen. In beroep tegen het bestreden besluit heeft eiseres aangevoerd dat de destijds gemaakte aperte fout niet is hersteld met het alsnog toezenden van de gegevens omtrent de vader en oudste zuster van eiseres aan de psychiater Tilanus. Zij is van mening dat deze psychiater vooraf alle relevante informatie had moeten ontvangen. Nu dit niet is gebeurd, meent zij dat in dit geval een andere psychiater nader onderzoek had moeten verrichten, zoals destijds bij haar tweelingzus (in opdracht van de Raad) is gebeurd toen was gebleken dat aan de psychiater Tilanus die haar had onderzocht niet alle relevante informatie ter beschikking was gesteld. Verweerster heeft daartegen ingebracht dat in de situatie van de tweelingzus van eiseres geen sprake was van een herzieningsprocedure, maar van een beroepsprocedure in het kader van een afgewezen eerste aanvraag. Dat maakt volgens verweerster in die zin verschil uit dat het bij een verzoek om herziening alleen gaat om de vraag of de nadere informatie over de vader en de oudste zuster tot een ander oordeel van verweerster had kunnen leiden over het aanwezig zijn van 2e- generatieproblematiek, indien deze informatie destijds aan wel dezelfde psychiater beschikbaar was gesteld. Aangezien deze vraag op grond van de daarop ontvangen gemotiveerde verklaring van de psychiater Tilanus in de zaak van eiseres ontkennend beantwoord moest worden, was er volgens verweerster geen reden het eerdere besluit te herzien. De Raad overweegt het volgende. Allereerst stelt de Raad vast dat verweerster het hiervoor genoemde verzoek van september 2002 terecht in behandeling heeft genomen als een verzoek om herziening van het door haar genomen besluit van 17 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.