E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/6481 NABW 03/6482 NABW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Bij uitspraak van de Raad van 21 september 2004 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 december 2003, reg. nrs. 03/700 NABW en 03/924 NABW, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend. Opposant heeft bij brief van 1 december 2004 meegedeeld dat de behandeling van zijn verzet buiten zitting kan plaatsvinden en de Raad verzocht uitspraak te doen. De Raad heeft vervolgens het onderzoek gesloten. II. MOTIVERING De uitspraak van de Raad van 21 september 2004 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 87,-- niet binnen de laatstelijk door de griffier bij aangetekende brief van 13 juli 2004 gestelde termijn is betaald, en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om die vraag ontkennend te beantwoorden. In aansluiting op hetgeen in de uitspraak van 21 september 2004 is overwogen merkt de Raad op dat de verschuldigdheid van het griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep voortvloeit uit het bepaalde in artikel 22 van de Beroepswet. Artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is hier niet van toepassing. Op de verschuldigdheid van het griffierecht is opposant gewezen bij brieven van 16 januari 2004, 5 februari 2004 en 16 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.