02/2256 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellante heeft bij gemachtigde mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, op bij beroepschrift van 18 april 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank te Amsterdam tussen partijen gegeven uitspraak van 27 december 2001, nr. AWB 00/5194 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 20 juni 2002, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 november 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Willigen, voornoemd, en waar gedaagde niet is verschenen. II. MOTIVERING Appellante, sedert 22 augustus 1994 werkzaam als intercedente bij Holding Holland Uitzendbureau te Amsterdam, heeft zich op 5 oktober 1994 vanwege psychische klachten ziek gemeld. Met ingang van 4 oktober 1995 is zij vanwege haar psychische gezondheidstoestand op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht, in verband waarmee haar ingaande die datum uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) zijn toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 november 1996 is appellante gaan werken als vestigingsmanager bij [naam uitzendbureau] te [vestigingsplaats]. Op 24 april 1997 heeft appellante zich ziek gemeld. Vervolgens heeft appellante per 1 juli 1997 werkzaamheden hervat bij F1 Uitzendbureau te Arnhem. Op 27 maart 1998 is ze opnieuw uit haar werkzaamheden uitgevallen wegens ziekte. Gedaagde heeft achtereenvolgens -voor zover relevant voor de procedure in hoger beroep- de volgende besluiten genomen: ? bij besluit van 18 maart 1998 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde, naar aanleiding van appellantes werkhervatting ingaande 1 juli 1997, aan haar meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 80 tot 100% bedraagt en de uitbetaling van de WAO-uitkering onveranderd f 0,- bedraagt; ? bij besluit van 8 mei 1998 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde appellante meegedeeld dat de korting wegens inkomsten uit arbeid vanaf 24 april 1998 vervalt; ? bij besluit van 8 juli 1999 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde geweigerd het WAO-dagloon ingaande 25 maart 1999 te verhogen omdat niet is voldaan aan de in artikel 40 van de WAO vervatte voorwaarde dat de WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid is herzien naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse; ? bij besluit van 12 juli 1999 (hierna: besluit 4) is appellante ervan in kennis gesteld dat zij ingaande 28 juni 1999 niet langer ziekengeld krijgt uitgekeerd omdat zij op en na die datum niet meer arbeidsongeschikt wordt geacht in verband met de bevalling; ?bij besluit van 16 februari 2000 (hierna: besluit 5) is appellante meegedeeld dat de uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO over de perioden 1 november 1996 tot 24 april 1997 en 1 juli 1997 tot 27 maart 1998, in verband met inkomsten uit arbeid niet wordt uitbetaald. Bij besluit van 18 oktober 2000 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 tot en met 5 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel te kennen gegeven dat, en op welke gronden, het besluit van 18 oktober 2000 in al zijn onderdelen in rechte stand kan houden. Namens appellante is in hoger beroep -kort gezegd- gesteld dat gedaagde ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van de WAO, dat het WAO-dagloon moet worden vastgesteld aan de hand van het laatstelijk per 1 juli 1997 verdiende loon en dat de intrekking van de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ingaande 28 juni 1999 ten onrechte is geschied. De Raad overweegt als volgt. De toepassing van artikel 44 WAO Ten aanzien van de toepassing van artikel 44 van de WAO over de perioden van 1 november 1996 tot 24 april 1997 en 1 juli 1997 tot 27 maart 1998 heeft appellante zich ten materiële op het standpunt gesteld dat ten onrechte toepassing is gegeven aan dit artikel omdat ze niet vanaf 4 oktober 1995 doorlopend arbeidsongeschikt kan worden geacht. Appellante heeft terzake aangevoerd dat de ziekmelding per 24 april 1997 in generlei verband stond met de eerdere psychische klachten maar is voortgevloeid uit de combinatie van teveel gemaakte werkuren, een longontsteking en de totaal onverwachte aankondiging dat haar contract niet verlengd zou worden. De ziekmelding per 27 maart 1998 hield volgens appellante louter verband met een IVF-behandeling. De Raad ziet geen aanknopingspunten om gedaagde niet te volgen in het standpunt dat appellante vanaf 4 oktober 1995 op medische gronden doorlopend arbeidsongeschikt is geweest. Zowel de rapportage van de verzekeringsarts P. Kerbusch van 11 juni 1997 naar aanleiding van de ziekmelding op 24 april 1997, als het afschrift van de medische kaart naar aanleiding van de ziekmelding per 27 maart 1998 wijzen op een hernieuwde uitval op psychische gronden. De Raad is voorts van oordeel dat het rapport van de verzekeringsarts J.J.M. Richter van 18 september 1998 en in het bijzonder het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.H.N. Verheijen, gedateerd 5 oktober 1999/22 november 1999, voldoende steun geeft aan het oordeel van gedaagde dat appellante doorlopend arbeidsongeschikt was. De bezwaarverzekeringsarts Verheijen heeft aan de hand van informatie uit het ziektewetdossier en verkregen informatie vanuit de behandelende sector inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd dat bij appellante sprake is van forse structurele psychische problematiek die in de weg staat aan een duurzaam functioneren in loonvormende arbeid vanaf 4 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.