02/4829 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. B. Benard, advocaat te ‘s-Gravenhage op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 27 augustus 2002, nummer AWB 01/2546 WW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Appellants gemachtigde heeft de Raad bij schrijven van 1 oktober 2002 verzocht als getuige op te roepen: [getuige], voormalig werknemer van het Uwv. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Gedaagde heeft bij brief van 23 september 2004 vragen van de Raad beantwoord. De Raad heeft appellant bij schrijven van 12 oktober 2004 medegedeeld geen aanleiding te zien om tot oproeping van de door zijn gemachtigde genoemde getuige over te gaan. Het geding is behandeld ter zitting van 17 november 2004, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.A. Huismans, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Aan appellant is met ingang van 29 april 1996 een uitkering ingevolge de WW toegekend, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 38 per week. Sinds 1 december 1995 verrichtte appellant ook werkzaamheden als zelfstandige. Het daarmee gemoeide aantal uren is door gedaagde bij besluit van 12 juni 1996 berekend op gemiddeld 9,78 per week. In dit besluit is appellant erop gewezen dat het aantal uren dat boven genoemd gemiddelde ligt vanaf 26 april 1996 op zijn uitkering in mindering wordt gebracht omdat hij voor die uren het werknemerschap verliest en dat hij voor een juiste beoordeling van zijn WW-uitkering per week alle gewerkte uren op het door hem in te vullen werkbriefje moet vermelden. Appellant heeft over 1996 in totaal 552 uur opgegeven als werkzaam te zijn geweest als zelfstandige. Over 1997 heeft hij als zodanig 792 uur opgegeven. Uit een op verzoek van gedaagde ingesteld opsporingsonderzoek is gebleken dat appellant zowel over 1996 als over 1997 zelfstandigenaftrek heeft geclaimd bij de belastingdienst. Daarop bestaat slechts recht indien tenminste 1225 uur per jaar in de eigen onderneming is gewerkt. Een door appellant op verzoek van de belastingdienst opgemaakte specificatie van de in 1997 gewerkte uren wees uit, dat appellant in dat jaar 1454 uur werkzaam is geweest in zijn eigen onderneming. Het verschil tussen deze aantallen en de op de werkbriefjes opgegeven uren heeft appellant verklaard met de stelling dat de medewerker van het Uwv met wie hij zijn situatie had besproken hem had verteld dat hij niet alle uren, maar enkel de gefactureerde uren op de werkbriefjes behoefde op te geven. Op basis van de informatie uit het opsporingsonderzoek heeft gedaagde het standpunt ingenomen dat appellant vanaf 29 april 1996 in een grotere omvang dan door hem opgegeven werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt. Op basis hiervan heeft gedaagde bij besluit van 14 februari 2001 de WW-uitkering van appellant met ingang van 29 april 1996 gedeeltelijk herzien. Bij besluit van 15 februari 2001 heeft gedaagde een bedrag van f 23.711,76 (€ 10.759,93) als onverschuldigd betaald over de periode van 29 april 1996 tot en met 28 december 1997 van appellant teruggevorderd. Beide besluiten zijn, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.