03/186 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellant heeft J. ter Welle, werkzaam bij Countus accountants en adviseurs te Zwolle, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 december 2002, nr. AWB 02/367 AOW V1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant is bij brief van 4 juni 2003 gereageerd op het verweerschrift en is bij brief van 29 oktober 2003 het standpunt van appellant nader toegelicht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 november 2004, waar namens appellant is verschenen J. ter Welle, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Appellant ontvangt een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Tevens ontving hij in de jaren 2000 en 2001 een toeslag ingevolge de AOW ten behoeve van zijn echtgenote [echtgenote]. Met zijn echtgenote en zijn zoon en schoondochter exploiteert appellant in maatschapsverband een rundvee- en varkenshouderij. Over het boekjaar 2000 is van de totale winst uit onderneming ad f 102.349,- aan de echtgenote van appellant een winstaandeel uit de maatschap toegekend van f 3.732,- en aan appellant van f 24.942,-. De fiscale winst uit onderneming voor appellant is blijkens zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over dat jaar vastgesteld op f 15.037,-. Bij besluit van 6 december 2001 heeft gedaagde het inkomen van [echtgenote] in het jaar 2000 vastgesteld op f 620,67 per maand en in 2001 op f 250,08 per maand. Gedaagde is tot het voor 2000 vastgestelde bedrag gekomen door de fiscale winst uit onderneming van appellant en het winstaandeel van [echtgenote] samen te voegen en dit bedrag ad f 18.769,-, naar rato van de arbeidsinbreng van appellant (10 uur per week) en zijn echtgenote (7,5 uur per week) toe te rekenen aan beiden en om te rekenen tot een maandbedrag, waarop nog vakantie-uitkering in mindering is gebracht. Het aldus vastgestelde inkomen van de echtgenote van appellant heeft gedaagde in het jaar 2000 – gedeeltelijk – in mindering gebracht op de aan appellant toekomende toeslag ingevolge de AOW. Het inkomen over 2001 heeft gedaagde voorlopig vastgesteld aan de hand van een opgave van appellant. Bij beslissing op bezwaar van 28 maart 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 6 december 2001 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant met zijn echtgenote en zijn zoon en schoondochter in een maatschap een landbouwbedrijf uitoefent. Gedaagde is van oordeel dat sprake is van een gezamenlijke bedrijfsvoering, zodat artikel 6, vierde lid, van het Inkomensbesluit AOW (hierna: het Besluit) van toepassing is. De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven en daartoe overwogen dat de stelling van appellant dat zijn echtgenote een eigen onderneming drijft, in strijd is met het juridisch karakter van een maatschap zoals dat voortvloeit uit het burgerlijk recht. Voorts is overwogen dat de tekst van artikel 6, vierde lid, van het Besluit geen aanknopingspunt bevat voor de stelling van appellant dat dit artikellid alleen ziet op de situatie van een meewerkende partner in de onderneming van de andere partner, zonder dat sprake is van een arbeidsbeloning of van zelfstandig ondernemerschap van de meewerkende partner. Namens appellant is in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat artikel 6, vierde lid, van het Besluit in dit geval niet van toepassing is, omdat appellant en zijn echtgenote winst genieten uit een onderneming zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 6 van het besluit. Appellant is van mening dat het vierde lid van voornoemd artikel slechts aan de orde is in gevallen waarin door de pensioengerechtigde en de partner wordt samengewerkt zonder dat aan de meewerkende partner een rechtstreeks en individualiseerbaar inkomen is toegekend. Indien dit artikellid wel van toepassing zou zijn dan dienen volgens appellant bij de verdeling van de winst ook de winstaandelen van de andere leden van de maatschap betrokken te worden. Ten slotte is nog gewezen op een vergelijkbare zaak waarin gedaagde artikel 6, vierde lid, van het Besluit niet heeft toegepast en wel de fiscale opgave van de betrokkenen heeft gevolgd. De Raad overweegt het volgende. Tussen partijen is in hoger beroep slechts in geschil of gedaagde het inkomen van de echtgenote van appellant in het jaar 2000 terecht heeft vastgesteld op f 620,67 per maand. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of gedaagde bij de vaststelling van dit inkomen terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid, van het Besluit en zo ja, of dit artikellid op de juiste wijze is toegepast. Artikel 6, eerste en vierde lid, van het Besluit luiden aldus: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.