03/188 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellante heeft J. ter Welle, werkzaam bij Countus accountants en adviseurs te Zwolle, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 december 2002, nr. AWB 02/380 AOW V1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante is bij brief van 5 juni 2003 gereageerd op het verweerschrift en is bij brief van 31 oktober 2003 het standpunt van appellante nader toegelicht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 november 2004, waar namens appellante is verschenen J. ter Welle, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Appellante ontvangt een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Tevens ontving zij in het jaar 2000 een toeslag ingevolge de AOW ten behoeve van haar in 1937 geboren echtgenoot [echtgenoot], die in maatschapsverband een rundvee- en varkenshouderij exploiteert waarin appellante meewerkt. Over het in 2000 afgesloten boekjaar is aan de echtgenoot van appellante een winstaandeel uit de maatschap toegekend van f 38.389,-. In de aangifte voor de inkomstenbelasting van [echtgenoot] voor het jaar 2000 is op deze winst een arbeidsbeloning van f 38.325,- voor appellante in mindering gebracht alsmede een investeringsaftrek, resulterend in een negatieve fiscale winst uit onderneming voor de echtgenoot van appellante. Bij besluit van 24 augustus 2001 heeft gedaagde het inkomen van [echtgenoot] in het jaar 2000 vastgesteld op f 1.433,72 per maand. Gedaagde is tot dit bedrag gekomen door op de winst uit onderneming van [echtgenoot] de investeringsaftrek in mindering te brengen en de aldus berekende winst ad f 33.033,- naar rato van de arbeidsinbreng van appellante (35 uur per week) en haar echtgenoot (45 uur per week) toe te rekenen aan beiden en om te rekenen tot een maandbedrag, waarop nog vakantie-uitkering in mindering is gebracht. Het aldus vastgestelde inkomen van [echtgenoot] heeft gedaagde in het jaar 2000 – gedeeltelijk – in mindering gebracht op de aan appellante toekomende toeslag ingevolge de AOW. Bij beslissing op bezwaar van 28 maart 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen het besluit van 24 augustus 2001 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat voor de berekening van de fiscale winst op grond van artikel 5, lid 7, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) de arbeidsbeloning voor appellante in mindering gebracht mag worden, maar dat in artikel 6, eerste lid, van het Inkomensbesluit AOW (hierna: het Besluit) is bepaald dat de winst krachtens hoofdstuk II, afdeling 2 van de Wet IB moet worden vastgesteld. Dit betekent dat gedaagde de arbeidsbeloning niet op de winst in mindering mag brengen, omdat die beloning is geregeld in afdeling 1 van hoofdstuk II van de Wet IB. De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven en daartoe overwogen dat nu appellante zich in het bedrijf van haar echtgenoot een zelfstandig inkomen verwerft zonder dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, gedaagde zich op het standpunt kan stellen dat appellante in de zin van artikel 6, vierde lid, van het Besluit samenwerkt in de uitoefening van het bedrijf van haar echtgenoot. Namens appellante is in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat de aan appellante toegekende arbeidsbeloning onder artikel 5 van het Besluit valt, zodat toepassing van artikel 6 van het Besluit niet aan de orde is. Voorts is aangevoerd dat voor de toepassing van artikel 6, vierde lid, van het Besluit onder de winst van afdeling 2 van hoofdstuk II van de Wet IB verstaan dient te worden de winst na aftrek van de arbeidsbeloning. Tevens is appellante van mening dat artikel 6, vierde lid, van het Besluit in haar geval niet van toepassing is, omdat zij en haar echtgenoot niet samenwerken in de uitoefening van een bedrijf, en dit artikellid slechts aan de orde is in gevallen waarin door de pensioengerechtigde en de partner wordt samengewerkt zonder dat aan de meewerkende pensioengerechtigde een rechtstreeks en individualiseerbaar inkomen is toegekend. Ten slotte is nog gewezen op een vergelijkbare zaak waarin gedaagde artikel 6, vierde lid, van het Besluit niet heeft toegepast en wel de fiscale opgave van de betrokkenen heeft gevolgd. De Raad overweegt het volgende. Tussen partijen is in hoger beroep slechts in geschil of gedaagde het inkomen van echtgenoot van appellante in het jaar 2000 terecht heeft vastgesteld op f 1.433,72 per maand. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of gedaagde bij de vaststelling van dit inkomen terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid, van het Besluit en zo ja, of dit artikellid op de juiste wijze is toegepast. Artikel 6, eerste en vierde lid, van het Besluit luiden aldus: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.