03/1127 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het landelijkinstituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit I van 28 februari 2000 heeft gedaagde vastgesteld dat op de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% vastgestelde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant over de periode van 20 december 1993 tot en met 19 december 1994 (lees: 1996) een korting wordt toegepast alsof de uitkering was herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 45-55% en dat die uitkering ingaande 20 december 1993 (lees: 1996) wordt herzien naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%. Bij besluit II van 28 februari 2000 heeft gedaagde beslist dat de tengevolge van besluit I onverschuldigd aan appellant betaalde WAO-uitkering van appellant wordt teruggevorderd. Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft gedaagde het bezwaarschrift van appellant tegen besluiten I en II ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem heeft het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2000 bij uitspraak van 27 januari 2003, reg.nr. 01/210 WAO, ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. E.E.M. Messink, advocaat te Wijchen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Van gedaagde is een verweerschift ontvangen. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 9 november 2004 waar beide partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Aan appellant is met ingang van 20 december 1993 een uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Uit het rapport werknemersfraude van gedaagde van 2 september 1999 blijkt dat appellant van 1 januari 1993 tot en met 30 april 1999 heeft gehandeld in soft drugs en daaruit inkomsten heeft gehad. Deze inkomsten zijn door gedaagde op basis van ervaringscijfers van de politie vastgesteld op fl. 79,06 netto per dag. Appellant heeft die inkomsten niet bij gedaagde gemeld. Bij besluit I heeft gedaagde beslist dat ingaande 20 december 1993 gedurende drie jaar vermelde inkomsten op appellants WAO-uitkering worden gekort, waardoor die uitkering wordt uitbetaald als ware appellant 45-55% arbeidsongeschikt en dat vervolgens per 20 december 1996 appellants uitkering wordt herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. De uit dat besluit voortvloeiende onverschuldigde betaling van uitkering over de periode van 1 oktober 1994 tot en met 30 september 1999 is door gedaagde van appellant teruggevorderd bij besluit II. Bij het bestreden besluit van 9 oktober 2000 heeft gedaagde de bezwaren tegen evenvermelde besluiten ongegrond verklaard. Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. Appellant houdt staande dat hij niet al in 1993 is begonnen met de verkoop van soft drugs, maar pas in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.