03/1594 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Bij besluit van 29 mei 2000 heeft gedaagde aan appellant bericht dat hij geen recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) omdat hij niet verzekerd is geweest ingevolge deze wet. Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend, waarop gedaagde een beslissing heeft genomen die door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 8 augustus 2001 (geregistreerd onder nr. AWB 01/476 AOW) is vernietigd. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 12 april 2002 naar aanleiding van nader onderzoek aan appellant met ingang van 1 juli 1999 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 12% van het volledige ouderdomspensioen voor een ongehuwde. Voorts heeft gedaagde bij hetzelfde besluit het AOW-pensioen herzien in verband met het huwelijk van appellant met [echtgenote] in december 1999 en aan appellant met ingang van 1 december 1999 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 12% van het volledige ouderdomspensioen voor een gehuwde. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 februari 2003 (geregistreerd onder nr. AWB 02/105 AOW) het beroep van appellant voorzover gericht tegen het besluit van 12 april 2002 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 5 november 2003, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of gedaagde terecht een korting heeft toegepast op het aan appellant toegekende ouderdomspensioen op de grond dat appellant slechts ingevolge de AOW verzekerd is geweest gedurende – afgerond – zes jaren, gelegen in de tijdvakken van 26 oktober 1977 tot 1 oktober 1979 en van 1 april 1981 tot 1 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.