03/121 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. J.J. Brosius, advocaat te Goes, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 28 november 2002, reg.nr. Awb 02/160, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 november 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Brosius, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. van Grinsven, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Aan appellante is bij brief van 1 februari 2001 door gedaagde bericht dat haar een voorschot op de te verstrekken WW-uitkering wordt toegekend tot het moment waarop haar recht op uitkering definitief kan worden vastgesteld. Daarbij is tevens opgemerkt dat zij dit voorschot vanaf 14 september 2000 “tot uiterlijk 14 maart 2004 (de maximale duur van een WW-uitkering)” zou ontvangen. Vanaf 12 december 2000 tot 3 juli 2001 is appellante arbeidsongeschikt geweest, gedurende welke periode haar geen WW-uitkering is betaald. Bij besluit van 25 juli 2001 is appellante medegedeeld dat de maximale duur van haar WW-uitkering (reeds) op 4 juli 2001 is verstreken, omdat zij (slechts) recht heeft op een kortdurende uitkering. Daarbij is tevens medegedeeld dat het gestelde in de brief van 1 februari 2001 over het einde van de uitkeringsduur per 14 maart 2004 onjuist was, omdat appellante slechts recht blijkt te hebben op een kortdurende uitkering. Bij besluit van 13 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat appellante niet voldoet aan het in artikel 17, aanhef en onder b, van de WW opgenomen vereiste dat zij in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin haar eerste werkloosheidsdag is gelegen in vier kalenderjaren over tenminste 52 dagen loon heeft ontvangen (hierna: de vier uit vijf eis).Weliswaar is in de jaren 1997 tot en met 1999 sprake van het ontvangen van loon over tenminste 52 dagen, maar dit is niet het geval in de jaren 1995 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.