03/1756 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. M.F. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 februari 2003, reg.nr. 01/1933 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 november 2004, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Appellant ontving sedert 1982 een bijstandsuitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW). Volgens de opgave van appellant is hij ingaande 2 oktober 1995 voltijds in dienst getreden bij [naam dienstverlening] (hierna: [naam dienstverlening]) te [vestigingsplaats]. In verband hiermede heeft gedaagde de RWW-uitkering van appellant met ingang van 2 oktober 1995 beëindigd. Uit nadien verstrekte gegevens vanwege de Belastingdienst en van [naam eigenaar] namens [naam dienstverlening], heeft gedaagde afgeleid dat appellant reeds op 24 augustus 1995 als oproepkracht bij [naam dienstverlening] werkzaam is geweest en dat hij over de periode van 24 augustus 1995 tot en met 1 oktober 1995 ook loon heeft ontvangen. Volgens een loonopgave door [eigenaar dienstverlening] namens [naam dienstverlening] heeft appellant van [naam dienstverlening] over augustus 1995 ƒ 479,34 en over september 1995 ƒ 1.751,28 aan netto-loon ontvangen. Bij besluit van 4 mei 1999 heeft gedaagde de over de periode van 24 augustus 1995 tot en met 1 oktober 1995 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van ƒ 2.438,68 van appellant teruggevorderd met toepassing van artikel 57, aanhef en onder a en/of d, van de Algemene Bijstandswet (ABW). Bij besluit van 13 juni 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 1999 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 juni 2001 ongegrond verklaard. In deze uitspraak (waarbij appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder) is onder meer het volgende overwogen: "Blijkens een zich in het dossier van verweerder bevindende arbeidsovereenkomst, ondertekend op 17 augustus 1995, die destijds door eiser aan verweerder is verstrekt, is hij met ingang van 2 oktober 1995 als oproepkracht in dienst getreden bij [naam dienstverlening]dienstverlening]. Op het formulier belastingsignalen 1995 is vermeld dat eiser in de periode 24 augustus tot en met 31 december 1995 gedurende 88 dagen heeft gewerkt voor [naam eigenaar] te [vestigingsplaats], eigenaar van [naam dienstverlening], en daarvoor f 11.818,-- aan loon heeft ontvangen. In een fax aan verweerder van 8 maart 1996 heeft [naam eigenaar] aangegeven dat eiser sinds 24 augustus 1995 in dienst was. Hij heeft daarbij een loonafrekening over januari 1996 gevoegd, waarop als datum indiensttreding staat vermeld 24 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.