00/812 WAOCON U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), dat ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder werknemersverzekeringen juncto artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1997, Stb. 1997, 769, wat betreft de overeenkomstige toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), bedoeld in artikel 32, eerste lid, juncto artikel 46, tweede lid, van de Wet privatisering ABP (WPA), met ingang van 1 januari 1998 in de plaats is getreden van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv en het bestuur van het FAOP. Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 december 1999, nummer AWB 96/4419 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Een verzoek van appellants gemachtigde een getuige op te roepen voor de hierna genoemde zitting, is door de Raad niet gehonoreerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.H.A.J. Kleine, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant was als leraar werkzaam op twee scholen, toen hij in augustus 1992 zijn werkzaamheden in verband met ziekte moest staken. Nadat appellant een bypassoperatie had ondergaan, heeft zich eind 1993 een virusinfectie ontwikkeld, die tot de amputatie van zijn onderbeen heeft geleid. Appellant heeft zich sedertdien steeds op het standpunt gesteld dat hij in staat was zijn werkzaamheden gedeeltelijk te hervatten en vervolgens uit te bouwen naar een volledige functievervulling. Bij besluiten van 21 november 1994 is aan elk van appellants werkgevers met ingang van 30 juli 1992 in verband met appellants arbeidsongeschiktheid een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluiten van dezelfde datum is deze uitkering met ingang van 17 juni 1994 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 23 januari 1996 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat hem in verband met de inwerkingtreding van de WPA per 1 januari 1996 met ingang van die datum een WAO-conforme uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. In april/mei 1996 is een drietal besluiten genomen met betrekking tot de aan appellants werkgevers in verband met appellants arbeidsongeschiktheid toegekende AAW-uitkering. Laatstelijk is deze uitkering bij besluiten van 1 mei 1996 met ingang van 15 juli 1994 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij beslissing op bezwaar van 26 juni 1996 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 23 januari 1996 ongegrond verklaard. Appellant is tegen dat besluit in beroep gekomen, stellende dat hij op 1 januari 1996 niet arbeidsongeschikt was. Hij heeft daarbij een besluit van gedaagde van 2 augustus 1996 overgelegd. Bij dit besluit heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 januari 1996 een WAO-conforme uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Blijkens het begeleidende schrijven van dezelfde datum is hiermee gedaagdes besluit van 26 juni 1996 vervallen. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het besluit van 26 juni 1996 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat op grond van de besluiten van 21 november 1994 de mate van appellants arbeidsongeschiktheid sedert 17 juni 1994 – en ook op 31 december 1995 – 45 tot 55% bedroeg, zodat hem op grond van artikel 39 van de WAP (bedoeld zal zijn: de WPA) terecht per 1 januari 1996 een WAO-conforme uitkering naar dat percentage is toegekend. Ook in hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hem ten onrechte een WAO-conforme uitkering is toegekend, nu hij op 1 januari 1996 niet arbeidsongeschikt was. De Raad overweegt als volgt. In de eerste plaats stelt hij vast dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 26 juni 1996 aan een inhoudelijke beoordeling heeft onderworpen. Ten tijde van het instellen van appellants beroep was dit besluit reeds ingetrokken en vervangen door gedaagdes besluit van 2 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.