03/1047 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 januari 2003, reg.nr. 02/235 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 30 november 2004, waar appellant - met bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.C.M. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellant ontvangt met ingang van 16 juli 1999 (wederom) een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag. Bij het betreffende toekenningsbesluit van 30 juli 1999 is aan appellant onder meer meegedeeld dat op hem verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw rusten, welke nader zijn gespecificeerd. Deze mededeling is herhaald bij besluit van 4 januari 2001, waarbij naar aanleiding van het heronderzoek van december 2000 is bepaald dat de bijstandsverlening wordt voortgezet. Daaraan is toegevoegd dat een medisch advies gevraagd zal worden omtrent appellants arbeids(on)geschiktheid. Op 19 juli 2001 heeft de arts H.F.L. Sanders, werkzaam bij de GGD Eindhoven, advies uitgebracht, waarin met betrekking tot de arbeids(on)geschiktheid van appellant wordt geconcludeerd: “Aanvankelijk met 16 tot 20 uur per week beginnen. Geen hoge werkdruk, hoog werktempo of grote psychische belasting. Rustige werkomgeving.”. Bij besluit van 31 juli 2001 is naar aanleiding van dit advies aan appellant meegedeeld dat hij arbeidsgeschikt wordt geacht met inachtneming van genoemde beperkingen ten aanzien van de arbeidsduur, werkdruk, werktempo en psychische belasting. Voorts is bepaald dat de bijstandsverlening wordt voortgezet en dat, rekening houdend met voormelde beperkingen, op appellant de verplichtingen ingevolge artikel 113, eerste lid, van de Abw van toepassing blijven. Daarnaast is aan hem een maatregel opgelegd van 10% gedurende één maand met ingang van 1 juli 2001 op de grond dat appellant verwijtbaar niet of onvoldoende heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Bij besluit van 11 december 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2001 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 december 2001 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht en dat aan hem ten onrechte een maatregel is opgelegd, nu hij in de betreffende periode medische beperkingen had en niet duidelijk was voor welke functies hij arbeidsgeschikt te achten was. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Met betrekking tot de arbeidsgeschiktheid van appellant De voor een bijstandsgerechtigde geldende verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid vloeien rechtstreeks voort uit artikel 113, eerste lid, van de Abw. Het standpunt van appellant komt er in feite op neer dat hij een ontheffing van deze verplichtingen wenst wegens de door hem gestelde volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad ziet hiervoor geen grond en verwijst in deze naar het eerder genoemde GGD-advies van 19 juli 2001, waarin wordt geconcludeerd tot arbeidsgeschiktheid, zij het met beperkingen. In het kader van de bezwarenprocedure is door gedaagde een nader advies ingewonnen bij de GGD. In dat advies van 15 november 2001 wordt de conclusie tot arbeidsgeschiktheid met beperkingen bevestigd. De Raad acht deze adviezen zorgvuldig tot stand gekomen en naar hun inhoud deugdelijk. Gedaagde heeft deze adviezen derhalve als grondslag mogen hanteren voor zijn besluit van 11 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.