E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/2309 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 maart 2003, nr. 01/1870 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 22 november 2004 zijn namens appellante nog enkele stukken in het geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 december 2004, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Voets, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen II. MOTIVERING Appellante is tot 1 oktober 1976 werkzaam geweest als verpleegster en heeft aansluitend uitkering ontvangen ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en vanaf 1 april 1977 ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV). Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van appellante heeft gedaagde, na een procedure over de ingangsdatum van de aanspraak op uitkering, uiteindelijk met ingang van 20 maart 1979 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) aan appellante toegekend, waarbij gedaagde ervan is uitgegaan dat de arbeidsongeschiktheid van appellante op 21 maart 1978 is aangevangen. De WAO-uitkering van appellante is met ingang van 1 januari 1999 ingetrokken, omdat appellante toen de leeftijd van 65 had bereikt. In augustus 2000 heeft appellante aan gedaagde verzocht te verklaren dat zij vanaf 1 oktober 1976 recht heeft op een WAO-uitkering, omdat zij aldus over het tijdvak vanaf die datum tot haar 65e verjaardag alsnog aanspraak kan maken op premievrije pensioenopbouw bij het Pensioenfonds PGGM. Bij beslissing op bezwaar van 24 augustus 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn primaire besluit van 7 mei 2001 gehandhaafd, waarbij de hiervoor genoemde brief van appellante is opgevat als een verzoek om terug te komen van de vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag en onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afwijzend is beslist op dit verzoek, - primair - omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, overwegende dat de door appellante aangevoerde omstandigheden, te weten haar onbekendheid met de gevolgen van de gekozen eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor haar pensioenaanspraken, het feit dat zij in 1980 niet in staat was gebruik te maken van haar rechtsmiddelen en de gestelde misleidende activiteiten van gedaagde, niet aangemerkt kunnen worden als nieuwe feiten of omstandigheden. Namens appellante is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat het verzoek van appellante niet aangemerkt had moeten worden als een herzieningsverzoek, maar als een (eerste) verzoek om toekenning van WAO-uitkering vanaf 1 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.