03/627 WAZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij brief van 4 januari 2002 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) (bestreden besluit). De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 6 januari 2003 (02/314 WAZ) het beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft op in het beroepschrift - met bijlagen - vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 1 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.H.W. Verberne, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant is werkzaam geweest als schoenmaker in loondienst. Na ontslag heeft hij vanaf 27 juli 1995 een uitkering ontvangen ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Naast zijn dienstbetrekking is appellant werkzaam geweest als zelfstandig werkend orthopedisch schoenmaker. Deze onderneming heeft hij ten tijde van de WW-uitkering voortgezet. Appellant heeft zich in verband met een herseninfarct per 26 januari 1999 arbeidsongeschikt gemeld. Aan hem is ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een uitkering toegekend met ingang van 25 januari 2000 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%. Bij besluit van 17 januari 2000 heeft gedaagde tevens vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAZ 80-100% is. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 januari 2000 wegens de daarin vastgelegde grondslag voor de WAZ-uitkering. Bij het thans in geding zijnde bestreden besluit op het bezwaar heeft gedaagde beslist dat de grondslag voor de WAZ-uitkering wordt gevormd door artikel 8, dertiende lid, van de WAZ. Deze bepaling houdt onder meer in dat, indien de WAZ-verzekerde op de dag van het intreden van de arbeidsongeschiktheid recht had op een WW-uitkering, het bedrag van de grondslag voor de WAZ-uitkering, gedeeld door 261, wordt verminderd met het bedrag van de WW-uitkering waarop de verzekerde recht had op de dag voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. In verband met deze bepaling heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof bij rapport van 18 december 2001 de WAZ-grondslag met betrekking tot appellant berekend. In dat rapport stelt Hulshof vast dat de WW-uitkering van appellant op 25 januari 1999, de dag voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, f 118,11 bedraagt. Hij stelt voorts vast dat de relevante jaarwinst over 1998 f 41.880,- bedraagt. Appellant werkt in zijn onderneming samen met zijn echtgenote. De echtgenote wordt geacht gedurende 1225 uren per jaar tegen een uurloon van f 15,- in de onderneming werkzaam te zijn geweest. Appellant wordt geacht 1456 uren per jaar in de onderneming werkzaam te zijn tegen een uurloon van f 50, -. Gelet op deze gegevens wordt van de jaarwinst ongeveer 80% aan appellant toegerekend en 20% aan de echtgenote. Deze toerekening van de jaarwinst leidt tot de vaststelling dat het (geïndexeerde) aandeel van appellant in de jaarwinst over 1998 f 34.310,90 bedraagt. Op dagbasis betekent dit f 131,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.