03/5797 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. I.C.M. Jansen, advocaat te Veghel, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, reg.nrs. Awb 03/977 WW en 03/2577 WW, op 17 oktober 2003 tussen partijen gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 1 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. de Beer, kantoorgenoot van mr. Jansen, voornoemd en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.W. Tak-de Heer, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellant is op 5 december 1967 in dienst getreden bij een onderdeel van het Philips concern, rechtsvoorganger van [werkgever] (hierna: de werkgever). Vanaf 1996 zijn er problemen geweest met betrekking tot het functioneren van appellant. Het CWI heeft bij brief van 28 mei 2002 aan de werkgever toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met appellant op te zeggen. De werkgever heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2002 beëindigd. Op 20 augustus 2002 heeft appellant een aanvraag om een WW-uitkering ingediend. Bij besluit van 21 november 2002 heeft gedaagde de uitkering krachtens de WW blijvend geheel geweigerd. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich zodanig heeft gedragen dat hij behoorde te weten of kon weten dat ontslag zou volgen. Bij besluit op bezwaar van 6 maart 2003 heeft gedaagde dit besluit gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant zijn standpunt, dat het verminderd functioneren hem niet kan worden verweten omdat diabetes van invloed is geweest op zijn functioneren, niet aannemelijk heeft gemaakt. De juistheid van deze stelling heeft hij niet met concrete medische gegevens onderbouwd, terwijl de naar aanleiding van de comparitie van appellant en zijn werkgever bij de kantonrechter gesloten vaststellingsovereenkomst slechts spreekt van mogelijk andere factoren. Appellant is naar het oordeel van de rechtbank derhalve verwijtbaar werkloos geworden, zodat de uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hem vanwege zijn diabetes en de overige in de persoon gelegen beperkingen, waardoor hij niet aan de toegenomen eisen van de werkgever kon voldoen, niet kan worden verweten, zodat hem terzake van zijn werkloosheid geen verwijt kan worden gemaakt. Appellant heeft daarbij verwezen naar een rapport van het CWI van 14 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.