03/3544 WAO 03/4231 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 3 mei 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 26 november 2001, waarbij gedaagde de door appellante verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2002 heeft vastgesteld op 3,49%. Bij besluit van 7 februari 2003 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 25 november 2002, waarbij gedaagde de door appellante verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO voor het premiejaar 2003 heeft vastgesteld op 2,51%. De rechtbank heeft bij uitspraken van 13 juni 2003 en 24 juli 2003, met kenmerk 02/1072 en 03/579, de namens appellante tegen voormelde besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Namens appellante is mr. R. Bom, advocaat te Breda, op bij beroepschriften (met bijlagen) van 21 juli 2003 en 19 augustus 2003 van die uitspraken in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft op 9 september 2003 en 1 oktober 2003 gedagtekende verweerschriften ingezonden De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 december 2004, waar voor appellante is verschenen M.M. van Noord, hoofd personeelszaken en mr. Bom, voornoemd. Gedaagde heeft zich -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Gedaagde heeft bij besluiten van 26 november 2001 en 25 november 2002 de door appellante voor de premiejaren 2002 en 2003 verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO vastgesteld op respectievelijk 3,49% en 2,51%. Aan deze vaststellingen ligt ten grondslag de aan de ex-werkneemsters van appellante, [werkneemster 1] in 2000 en 2001 en [werkneemster 2] in 2000, uitbetaalde uitkering krachtens deze wet. Deze als arbeidsgehandicapten aangemerkte ex-werknemers zijn op 27 oktober 1997 en 27 november 1997 onder toekenning van een loonkostensubsidie bij appellante in dienst getreden. [werkneemster 1] heeft op 7 april 1998 haar werkzaamheden bij appellante moeten staken in verband met arbeidsongeschiktheid en [werkneemster 2] op 6 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.