03/3115 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam op 23 mei 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. ZW 01/1873-KRD), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. De Jonge voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is werkzaam geweest als paprikaplukker voor 38 uur per week. Het desbetreffende dienstverband is met ingang van 1 december 1999 beëindigd. Per 11 oktober 1999 heeft appellant zich ziek gemeld wegens huidklachten. Op 4 mei 2000 is hij onderzocht door een verzekeringsarts. Deze heeft op de medische kaart onder meer het volgende vermeld: “Huidklachten: niet echt vurig, wel schilferig.” Na het inwinnen van informatie bij de behandelend dermatoloog en overleg met een arbeidsdeskundige is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant per 9 mei 2000 weer geschikt was voor zijn arbeid. Bij besluit van 9 mei 2000 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 9 mei 2000 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts P. Hulleman op 11 oktober 2000 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellant al sinds meerdere jaren lijdt aan psoriasis, een huidschimmel en eczeem, waarvoor appellant bij opleving van de desbetreffende klachten behandeld wordt met een zalf en lichttherapie. Volgens Hulleman is het volgen van de lichttherapie, die gemiddeld tweemaal per week plaatsvindt, voor appellant geen belemmering voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Verder heeft Hulleman erop gewezen dat, gezien de brief van de behandelend dermato-veneroloog dr. A.H. van der Willigen van 27 maart 2000, niet is gebleken dat werken in een stoffige omgeving nadelig is en dat werkplekonderzoek niet heeft kunnen uitwijzen dat de werkomgeving erg stoffig of vuil is. Bij besluit van 6 augustus 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de dermatoloog F. Heule als deskundige te raadplegen. Deze heeft na eigen onderzoek van appellant en inwinning van informatie bij de behandelend sector op 18 oktober 2002 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellant onder meer lijdt aan psoriasis en een allergie voor paprika’s. Met betrekking tot de paprika-allergie heeft Heule opgemerkt dat deze aandoening appellant ongeschikt maakt voor de functie van paprikaplukker. Heule heeft hieraan evenwel toegevoegd dat de klinische verschijnselen van deze allergie, te weten een jeukende uitslag, (pas) in het voorjaar van 2001 zijn ontstaan, derhalve na de beoordelingsdatum 9 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.