03/2363 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV te Drachten, op bij beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden op 31 maart 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr.: 02/1181 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 december 2004, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Appellant is op 3 februari 1993 uitgevallen als gevolg van een bedrijfsongeval, waarna hoofd- en nekklachten zijn ontstaan. Wegens deze klachten is hij ongeschikt geworden tot het verrichten van zijn arbeid als timmerman. Ter zake van dit ziektegeval is aan appellant ziekengeld toegekend. Bij besluit van 19 augustus 1993 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat hem met ingang van 25 juni 1993 geen ziekengeld wordt toegekend, omdat hij op en na deze datum niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Leeuwarden bij uitspraak van 30 september 1994 (reg.nr.: 93/828 ZW) ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de Raad bij uitspraak van 13 maart 1996 (reg.nr.: 94/1666 ZW) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Bij brief van 31 juli 2001 is namens appellant verzocht om de eerdere beslissing te herzien en het recht op uitkering in het kader van de Ziektewet opnieuw vast te stellen. Bij besluit van 11 februari 2002 heeft gedaagde geweigerd om terug te komen van zijn eerder genomen beslissing van 5 juli 1993, omdat het namens appellant ingebrachte medisch rapport geen nieuwe feiten en/of omstandigheden vermeldt. Bij brief van 25 maart 2002 is namens appellant bezwaar aangetekend. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde de zaak opnieuw beoordeeld. Bij besluit van 19 september 2002 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 februari 2002 ongegrond verklaard. De Raad overweegt als volgt. Allereerst merkt de Raad op dat destijds geprocedeerd is over een beslissing van 19 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.