03/1832 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 14 maart 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 23 april 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 29 januari 2002 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard. Hangende het tegen besluit 1 door appellant ingestelde beroep heeft gedaagde bij besluit van 9 april 2002 (hierna: besluit 2) het besluit van 14 maart 2001 en besluit 1 in die zin gewijzigd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 23 april 2001 45 tot 55% bedraagt. De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 4 maart 2003, regnr. AWB 2002/366 WAO, het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en daarbij beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft voorts het beroep van appellant tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 december 2004, waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant was werkzaam als maatvoerder toen hij op 9 mei 1988 uitviel met longklachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang 8 mei 1989 onder andere een uitkering ingevolge de WAO toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is na onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij besluit van de rechtsvoorgangster van gedaagde van 2 april 1996 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100%. Vervolgens heeft de verzekeringsarts M. van Hoof appellant op 22 december 2000 onderzocht. Blijkens haar rapport van dezelfde datum zijn er in elk geval beperkingen als in verband met de longklachten in 1989 gesteld en energetische beperkingen ten aanzien van met name piekbelastingen. Na ontvangst van informatie van de longarts dr. G.P.M. ten Velde van 2 januari 2001 is vervolgens op 18 januari 2001 het handgeschreven FIS-formulier opgemaakt en heeft de arbeidsdeskundige M.J.J. Theunissen na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 39,91%, waarna gedaagde bij besluit van 14 maart 2001 de WAO-uitkering van appellant op zijn verzoek met ingang van 1 maart 2001 ongewijzigd heeft voortgezet en het primaire besluit van eveneens 14 maart 2001 heeft genomen. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer blijkens zijn rapport van 6 juli 2001 de beperkingen van appellant ten aanzien van zijn longklachten nader in kaart gebracht en in verband met een door hem vastgestelde, licht beperkte, nekfunctie en een gevoelsstoornis aan de topjes van de vingers van de linkerhand aanvullende beperkingen geformuleerd. Voorts heeft De Brouwer na ontvangst van informatie van de behandelend psychiater A.F.G. Leentjens van 15 mei 2001, die als diagnose een paniekstoornis zonder agorafobie stelde, de psychische beperkingen van appellant beschreven in zijn rapport van 20 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.