E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/1309 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen een op 30 januari 2003 door de rechtbank `s-Hertogenbosch tussen partijen gewezen uitspraak (reg.nr. AWB 01/2881 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2005, waar appellante niet is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen L. den Hartog, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante was sedert april 1999 werkzaam champignonplukster en is op 22 juni 2001 uitgevallen wegens een nagelextractie. Op 30 juli 2001 is zij onderzocht door een verzekeringsarts, die ook de door appellante aangegeven hoofdpijn- en nekklachten heeft onderzocht en is zij door hem per 31 juli 2001 hersteld verklaard. Op 1 augustus 2001 is appellante wegens nek-, hoofdpijn- en rugklachten uitgevallen. Bij besluit van 1 augustus 2001 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat zij op 31 juli 2001 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 2 november 2001 (het bestreden besluit) verklaarde gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond en overwoog daarbij dat op grond van de beschikbare medische gegevens de rechtbank met gedaagde van oordeel is dat appellante op 1 augustus 2001 in staat moest worden geacht tot het verrichten van haar werkzaamheden. Daarbij acht de rechtbank doorslaggevend dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij eigen onderzoek geen beperkingen hebben geconstateerd. De klacht van hoofd- en nekpijn heeft appellante, naar eigen zeggen, al sedert
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.