E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/3769 NABW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 5 oktober 2004 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 26 mei 2004, reg.nr. 03/730 NABW, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 8 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De uitspraak van de Raad van 5 oktober 2004 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 102,-- niet binnen de door de griffier bij aan- getekende brief van 12 augustus 2004 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven. In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen merkt de Raad op dat indien het griffierecht per bank wordt overgemaakt beslissend is de dag waarop het griffierecht is bijgeschreven op de bankrekening van de Raad. Opposant is hierop gewezen door de griffier in de brief van 12 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.