03/455 WVG U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. J.A. Visscher, werkzaam bij Tamek Groep Belastingadviseurs te Meppel, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 23 december 2002, reg.nr. AWB 02/324 WVG. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 23 december 2004 heeft gedaagde op verzoek van de Raad nadere informatie verstrekt. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 19 januari 2005, waar partijen -met voorafgaande kennisgeving- niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant, die geboren is in 1986 en bij zijn ouders in [woonplaats] woont, ondervindt als gevolg van een neurologische aandoening beperkingen. Appellant is blind en verstandelijk gehandicapt, kan niet spreken en heeft regelmatig last van epilepsie-aanvallen. De ouders van appellant hebben een eigen onderneming. Omdat zij de combinatie van zorg voor appellant en werk, in aanmerking genomen hun leeftijd en gezondheid, niet meer aan konden, hebben de dochter en de schoonzoon de dagelijkse bedrijfsvoering van de onderneming overgenomen. Deze overname veronderstelt bewoning van het bedrijfspand en om die reden hebben de ouders een nog te bouwen woning gekocht. Vervolgens hebben de ouders bij aanvraag van 9 juli 2001 op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten, ten behoeve van appellant verzocht om een woonvoorziening in de vorm van een traplift. Bij besluit van 17 augustus 2001 heeft gedaagde - voorzover hier van belang - afwijzend op de aanvraag beslist. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 13 februari 2002 heeft gedaagde de afwijzing gehandhaafd. Dit besluit berust op het standpunt dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2.7 van de Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Hardenberg (hierna: de Verordening) en dat er geen aanleiding is voor toepassing van de in artikel 8.1 van de Verordening neergelegde hardheidsclausule. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Verordening wordt geen financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening verleend indien de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van de door de handicap veroorzaakte belemmeringen die een normaal gebruik van de woning in de weg staan geen aanleiding bestond. In artikel 2.7, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is indien de verhuizing plaatsvindt: a. als gevolg van het door de gehandicapte aanvaarden van een werkkring in een andere gemeente; b. omdat de woning te klein is geworden tengevolge van huwelijk of samenwoning en/of het krijgen van kinderen; c. als gevolg van het betrekken van een zelfstandige woonruimte door een gehandicapte, ouder dan 18 jaar. In artikel 8.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.