03/3951 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. C. Arslaner, op bij aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 20 juni 2003, onder reg. nr.: ZW 02/2773, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift, met bijlagen, ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 5 januari 2005, waar appellant en gedaagde, beiden met voorafgaand bericht van verhindering, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Appellant was werkzaam in een shoarmazaak toen hij op 1 augustus 1996 uitviel met klachten samenhangend met een Hepatitis B infectie. Per 31 juli 1997 is appellant uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant ontving daarnaast een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Op 27 maart 2002 heeft appellant zich vanuit die situatie ziek gemeld met klachten van duizeligheid, moeheid, hoofdpijn en psychische klachten. Bij besluit van 7 juni 2002 heeft gedaagde geweigerd appellant ziekengeld toe te kennen. Bij besluit op bezwaar van 6 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet een deskundige heeft benoemd voor een medisch onderzoek. Appellants klachten zijn toegenomen. Hij heeft nu ook trombose. Gedaagde heeft nauwelijks rekening gehouden met de klachten van kortademigheid, vermoeidheid en zweet. Appellant is erg depressief en ongeconcentreerd en wordt snel agressief. Appellant stelt dat nagenoeg alle functies niet in overeenstemming zijn met zijn belastbaarheid en wijst in dat verband op een door hem aan de rechtbank toegezonden rapportage van 26 maart 2003 van de afdeling radiologie van het Dijkzichtziekenhuis. De Raad overweegt als volgt. Naar blijkt uit de medische kaart is appellant op 7 juni 2002 gezien door een verzekeringsarts die hem heeft onderzocht en die concludeerde dat gezien de anamnestische gegevens en de bevindingen bij het onderzoek de beperkingen van appellant niet waren toegenomen ten opzichte van het FIS-formulier van 12 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.