02/4886 AW, 02/4887 AW, 02/4900 AW, 02/4901 AW, 02/4903 AW, 02/4904 AW, 04/3240 AW en 04/3241 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [Appellant 1 t/m 6] en de Raad van Bestuur van het academisch ziekenhuis Maastricht, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellanten is op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 augustus 2002, nrs. AWB 01/1198 t/m 01/1203 AW I GIF, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde zijn verweerschriften ingediend. Gedaagde heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden, waaronder een tweetal ten aanzien van appellanten 4 en 5 genomen nadere besluiten, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Van de zijde van appellanten is hierop gereageerd en tevens zijn van die zijde ook nog nadere stukken ingezonden. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 2 december 2004, waar appellanten 1 en 4 in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. E.M. van Ardenne, advocaat te Amersfoort. De overige appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Ardenne, voornoemd. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M.E.M. Paulussen, advocaat te Maastricht, alsmede door drs. L.J.H.M. Brans Brabant, vice-voorzitter van gedaagde, en door H.M.J.L. van den Boorn, werkzaam bij het academisch ziekenhuis Maastricht. II. MOTIVERING 1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellanten waren als medisch specialist [naam afdeling] werkzaam bij het academisch ziekenhuis Maastricht (azM). Appellant 5 was tevens hoofd medische afdeling. Appellanten werden bezoldigd op grond van de bepalingen van het Rechtspositie-reglement academische ziekenhuizen (RRAZ). 1.2. Appellanten waren in het kader van hun ambtelijke aanstelling onder meer met patiëntenzorg belast. Voorzover appellanten patiëntenzorg verrichtten ten behoeve van ziekenfondsverzekerden, werd de daarvoor door de ziekenfondsen verschuldigde vergoeding betaald aan het azM. Appellanten werden daarvoor niet apart beloond. De honorering voor de behandeling van particuliere patiënten was anders geregeld, in die zin dat deze geschiedde in lijn met de Honorerings- regeling voor medisch specialisten werkzaam in academische ziekenhuizen, vastgesteld door de Minister van Onderwijs en Wetenschappen bij brief van 31 december 1981 (hierna: Honoreringsregeling 1981). Dat hield in dit geval in dat - kort gezegd - de declaraties voor de verrichtingen van de urologen werden verzonden en geïnd door het azM, waarna de geïnde bedragen onder aftrek van kosten werden gestort op een rekening van de Stichting Centrale Inning Academisch Ziekenhuis Maastricht (Stichting SCIR). Deze stichting beheerde het aldus gevormde fonds ten behoeve van de afdeling [naam spec[naam afdeling] en verstrekte daaruit, in beginsel jaarlijks en binnen nader vastgestelde grenzen, aan iedere bij de afdeling werkzame [naam functie] een uitkering (de zogeheten SCIR-gelden). 1.3. Op 7 april 1999 is binnen het Landelijk overleg academische ziekenhuizen (LOAZ) tussen de Vereniging Academische Ziekenhuizen enerzijds en de belangenorganisaties van artsen anderzijds het zogeheten Onderhandelaarsakkoord Honorering Medisch Specialisten (hierna: Onderhandelaarsakkoord) tot stand gekomen. Vervolgens is dit akkoord door de aangesloten artsen met meerderheid van stemmen aanvaard en door de besturen van de academische ziekenhuizen, onder wie gedaagde ten aanzien van het azM, verwerkt in een wijziging van het RRAZ. 1.3.1. Het Onderhandelaarsakkoord houdt in - kort samengevat en voorzover hier van belang - dat per 1 juni 1999 de vrije praktijkvoering wordt beëindigd, dat nieuwe salarisschalen worden ingevoerd voor academisch medisch specialisten die mede met patiëntenzorg zijn belast en dat aan deze specialisten het behoud van het bestaande inkomensniveau wordt gegarandeerd. 1.4. Bij brieven van 7 december 1999 en 28 maart 2000 heeft gedaagde appellanten in kennis gesteld van zijn voornemen om ter uitvoering van het Onderhandelaarsakkoord wijziging te brengen in hun individuele rechtspositie. Bij besluiten van 17 augustus 2000 heeft gedaagde overeenkomstig deze voornemens beslist, met terugwerkende kracht tot 1 juni 1999. De daartegen door appellanten gemaakte bezwaren zijn bij de - zakelijk vrijwel gelijkluidende - bestreden besluiten van 1 augustus 2001 door gedaagde grotendeels ongegrond verklaard. 1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten 1, 2, 3 en 6 ongegrond verklaard, de beroepen van appellanten 4 en 5 gegrond verklaard met betrekking tot de reiskostenvergoeding, de bestreden besluiten ten aanzien van appellanten 4 en 5 in zoverre vernietigd en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank ten aanzien van appellanten 4 en 5 bepalingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht. 2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 2.1. De juridische grondslag van de besluiten. 2.1.1. Het Onderhandelaarsakkoord vormt de neerslag van overleg en onderhandeling tussen vertegenwoordigers van de academische ziekenhuizen en de daaraan verbonden medisch specialisten omtrent de arbeidsvoorwaarden. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad kunnen individuele ambtenaren, zoals appellanten, aan een dergelijk akkoord niet rechtstreeks rechtspositionele aanspraken ontlenen. Zij ontlenen dergelijke aanspraken aan de ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften en in dat kader gegeven beleidsregels en voorts aan anderszins bevoegdelijk gedane toezeggingen (bijvoorbeeld CRvB 24 mei 2002, TAR 2003, 5). Het RRAZ is zo'n algemeen verbindend voorschrift. 2.1.2. De Raad ziet geen grond voor de stelling van appellanten dat de thans aan de orde zijnde wijziging van het RRAZ naar de wijze van totstandkoming onverbindend is. Het RRAZ berust op artikel 4.5 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) in samenhang met het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaarden-vorming academische ziekenhuizen (Stb. 1995, 395). Daarvan uitgaande onderschrijft de Raad de uiteenzetting van de rechtbank op dit punt. Van een collectieve arbeidsovereen-komst in civielrechtelijke zin is in het geval van het azM geen sprake, zodat algemeen verbindendverklaring niet aan de orde is. 2.1.3. Dat appellanten in strijd met het vertrouwensbeginsel door de invoering van het nieuwe stelsel zijn overvallen, kan niet worden staande gehouden. Een kenmerk van ambtelijke rechtspositieregelingen is dat zij vatbaar zijn voor (soms ingrijpende) wijziging. Bovendien volgde reeds uit de tekst van de Honoreringsregeling 1981 dat deze slechts als overgangsmaatregel was bedoeld en dat op langere termijn volledige verambtelijking werd beoogd. In kringen van academisch medisch specialisten was dit bekend. De verambtelijking is wellicht langer uitgebleven dan aanvankelijk de bedoeling was, maar daaraan konden appellanten niet de in rechte te honoreren verwachting ontlenen dat van uitstel afstel zou komen. Niet is gebleken dat de onderhandelingspartijen het streven naar verambtelijking in de tussentijd hebben prijsgegeven. Ook de in september 1995 gesloten Raamovereenkomst Modernisering curatieve zorg azM rechtvaardigde deze verwachting niet, nu die overeenkomst weliswaar uitgaat van het bestaan van een stelsel van aparte honorering voor de behandeling van particuliere patiënten - hetgeen destijds nog het geval was - doch niet beoogt dat stelsel als zodanig te reguleren of te bestendigen. Dat het nieuwe stelsel is ingevoerd met terugwerkende kracht tot 1 juni 1999, maakt het vorenstaande niet anders. De strekking van het Onderhandelaarsakkoord was reeds in april 1999 bekend en een onverhoedse terugval in inkomen is door middel van de inkomensgarantie voorkomen. 2.1.4. De overige bezwaren van nationaalrechtelijke aard die appellanten tegen de wijziging van het RRAZ hebben aan- gevoerd, betreffen de innerlijke waarde en de billijkheid van dit algemeen verbindend voorschrift. Nu het niet gaat om een wet in formele zin, kunnen die bezwaren wel door de rechter worden getoetst, zij het met inachtneming van de ter zake in ons staatsbestel passende terughoudendheid. De Raad heeft echter onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagde bij afweging van de in het geding zijnde belangen niet in redelijkheid tot het vaststellen van het betrokken algemeen verbindend voorschrift heeft kunnen komen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de wijziging van het RRAZ het resultaat is van onderhandelingen tussen representatieve organisaties van overheidswerkgevers en -werknemers, waarbij over en weer sprake is van geven en nemen. De uitkomst van zo'n onderhandelingsproces kan niet met vrucht worden bestreden door - zoals appellanten hebben gedaan - alleen te wijzen op de nadelen voor de eigen rechtspositie en de voordelen buiten beschouwing te laten. Het is de Raad niet ontgaan dat de wijziging ook voor de betrokken ambtenaren onderling verschillend kan uitwerken, met name naar-gelang van hun medisch specialisme. Dit is evenzeer inherent aan het systeem van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en is in beginsel niet onaanvaardbaar te achten. Niet aannemelijk is geworden dat ten aanzien van de groep van de urologen sprake is van zodanige onevenwichtigheid of onbillijkheid dat het formaliseren van het onderhandelingsresultaat jegens hen in algemene zin als onrechtmatig zou moeten worden aangemerkt. 2.1.5. Anders dan appellanten hebben betoogd, is er geen sprake van ontneming van eigendom in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Al aangenomen dat in dit verband van eigendom in de zin van het Eerste Protocol kan worden gesproken, betekenen de bestreden besluiten niet de ontneming van die eigendom, maar een wijziging in de ambtenaarrechtelijke regulering van het gebruik dat appellanten van hun eigendom mogen maken. Deze wijziging komt neer op intrekking van de toestemming om bepaalde, nauw met de uitoefening van de ambtelijke dienstbetrekking verweven werkzaamheden tegen afzonderlijke vergoeding op SCIR-basis te verrichten, waar tegenover staat dat die werkzaamheden - waarvan de aard op zichzelf niet verandert - worden opgenomen in het aan de functie verbonden ambtelijke beloningssysteem met een in het RRAZ vervatte inkomensgarantie. De Raad tekent hierbij aan dat de betrokken wijziging niet van dien aard is, dat deze op één lijn gesteld zou moeten worden met ontneming van eigendom. 2.1.6. Van strijd met de Wet van 2 december 1993 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende informatie van de werknemer over zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding (Stb. 1993, 635) is naar het oordeel van de Raad evenmin sprake. Omdat de wijziging van het RRAZ per 1 juni 1999 is ingevoerd, is ook aan de ter uitvoering daarvan jegens appellanten genomen besluiten terugwerkende kracht tot die datum gegeven. Deze situatie is in artikel II, zesde lid, slot, van genoemde wet voorzien, hetgeen in lijn is met het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van genoemde richtlijn. 2.2. De samenstelling van het referte-inkomen. 2.2.1. Ingevolge artikel 109.5, eerste en tweede lid, van het RRAZ, voorzover hier van belang, wordt aan de academisch specialist het bruto jaarinkomen dat op 1 juni 1999 hoger is dan het maximum-inkomen dat hij per die datum kan genieten op basis van artikel 109.6 (de nieuwe salarisschalen) en een eventuele toelage op grond van de artikelen 109.8 en 109.9 (de toelage verzwarende omstandigheden) gegarandeerd door compensatie van het verschil door middel van een ambtelijke toelage (de garantietoelage). Daarbij bestaat het bruto jaarinkomen uit het ambtelijk inkomen en het bedrag dat hij voor 1 juni 1999 aan inkomsten uit particuliere honoraria gemiddeld ontvangen heeft in de jaren 1996/1997/1998 (…), omgerekend naar ambtelijk inkomen. Voor de omrekening van de inkomsten uit de particuliere honoraria naar een maandelijks ambtelijk inkomen geldt dat hierop 16,75% in verband met de werkgeverslasten in mindering wordt gebracht. Bij de bepaling van de hoogte van de garantietoelage wordt van het aldus berekende ambtelijk inkomen 8% gereserveerd in verband met de toekenning van een vakantie-uitkering. 2.2.2. De rechtbank is, met gedaagde, van oordeel dat het bruto jaarinkomen uit particuliere honoraria (referte-inkomen) gelijk is aan het gemiddelde van de over de jaren 1996, 1997 en 1998 uitgekeerde SCIR-gelden. Appellanten delen die zienswijze niet. Zij stellen dat het gaat om het totaal van de over de referteperiode gedeclareerde bedragen, inclusief nabetalingen die feitelijk na afloop van de referteperiode zijn gedaan en exclusief aftrekposten zoals de door azM in rekening gebrachte administratiekosten voor het uitvoeren van de SCIR-regeling en de salarisbetalingen aan een op de afdeling [naam afdeling] werkzame klinisch fysicus. 2.2.3. De Raad onderschrijft de opvatting van gedaagde en de rechtbank. Het gaat hier om de berekening van de garantietoelage. Het doel van deze toelage is te voorkomen dat de betrokken specialist er bij de invoering van het nieuwe stelsel in inkomen op achteruit gaat. Daarbij wordt, wat betreft de honorering van werkzaamheden ten behoeve van niet-ziekenfondsverzekerden, een vergelijking gemaakt met het gemiddelde over de referte-periode. Een redelijke uitleg brengt dan ook met zich dat onder inkomsten uit particuliere honoraria wordt verstaan: datgene waarop over de referteperiode daadwerkelijk aanspraak bestond uit hoofde van het oude, op de Honoreringsregeling 1981 gebaseerde stelsel. Dit zijn de SCIR-gelden die betrekking hebben op de jaren 1996, 1997 en 1998. Omtrent de hoogte van de aldus in aanmerking te nemen bedragen bestaat geen geschil meer, nu gedaagde bij de bestreden besluiten (alsnog) is uitgegaan van de maximaal toegestane SCIR-uitkeringen over de genoemde jaren. Aan de discussie tussen partijen over de toepasselijkheid van het zogenoemde kasstelsel is met het vorenstaande de grondslag ontvallen. 2.2.4. Appellanten hebben bedenkingen tegen de keuze van de referteperiode omdat deze drie jaar teruggrijpt, derhalve naar een periode dat - gegeven de stijgende lijn van de particuliere honoraria - in de regel minder werd gedeclareerd dan in de situatie per 1 juni 1999. Ook hebben zij er bezwaar tegen dat geen indexering plaatsvindt. Deze beroeps-gronden zijn evenwel gericht tegen de inhoud van het RRAZ en kunnen, het onder 2.1.4. overwogene in aanmerking genomen, naar het oordeel van de Raad niet slagen. De referteperiode wordt kennelijk gehanteerd teneinde de representativiteit van het referte-inkomen te vergroten en het ontbreken van een indexering (de zogenoemde bevriezing) behoort tot de punten die in het onderhandelingsresultaat (moeten worden geacht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.