01/2549 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 23 maart 2001, nr. AWB 00/280, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend en bij brief van 9 september 2003, desgevraagd, nadere gegevens ingezonden. Bij schrijven van 22 september 2003 is namens gedaagde meegedeeld dat haar belangen thans worden behartigd door mr. J.W. Aartsen, advocaat te Utrecht. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 9 januari 2004, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen. Bij brieven van 4 februari 2004 heeft de Raad aan partijen laten weten dat het onderzoek niet volledig is geweest in verband waarmee het onderzoek is heropend. Bij brief van 6 februari 2004 heeft de Raad aan appellant enige vragen voorgelegd, welke door appellant bij brief van 31 maart 2004 zijn beantwoord. Het geding is wederom ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 14 januari 2005, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Bij besluit van 1 juli 1999 heeft appellant gedaagdes registratie als verzekerde werknemer per 1 juli 1998 beëindigd. Ter motivering wordt opgemerkt dat gedaagde een geldige verblijfsvergunning en een geldige tewerkstellingsvergunning moet hebben om voor de sociale verzekeringen en de bijbehorende uitkeringen in aanmerking te komen. Blijkens de gegevens van appellant heeft gedaagde (nog) geen geldige verblijfsvergunning. Op die grond wordt gedaagdes registratie als verzekerde werknemer beëindigd. In bezwaar is namens gedaagde naar voren gebracht dat zij een aanvraag om een vergunning tot verblijf heeft ingediend, terwijl het aan haar is toegestaan om arbeid te verrichten. Een kopie van haar paspoort is bijgevoegd met daarin de aantekening dat op 25 september 1998 een vergunning tot verblijf is aangevraagd en dat gedaagde gerechtigd is tot het verrichten van arbeid zonder dat een tewerkstellingsvergunning is vereist. Daarnaast is namens gedaagde gesteld dat de Koppelingswet in strijd is met het discriminatieverbod neergelegd in de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko. Bij besluit van 27 maart 2000 heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet verzekeringsplicht slechts kan worden aangenomen indien betrokkene hier verblijft op grond van een besluit tot toelating dan wel op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan. Van het bepaalde in genoemde wetten kan worden afgeweken bij het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (hierna: het Besluit). Op grond van het Besluit wordt een vreemdeling als werknemer beschouwd ook in geval van een voorwaardelijke toelating indien hij beschikt over een werkvergunning. Met betrekking tot dit laatste punt wordt opgemerkt dat hoewel gedaagde is vrijgesteld van een tewerkstellingsvergunning er sprake is van een eerste aanvraag tot verblijf. Nu gedaagde geen stukken heeft kunnen overleggen waaruit blijkt dat zij niet mag worden uitgezet kan er in gedaagdes situatie niet worden gesproken van een voorwaardelijke toelating. Het beroep op de Samenwerkingsovereenkomst wordt eveneens verworpen. Het maken van onderscheid bij de verzekeringsplicht tussen vreemdelingen en onderdanen wordt gerechtvaardigd geacht. In beroep is namens gedaagde aangevoerd dat van algemene bekendheid is dat een aanvraag om een vergunning tot verblijf in Nederland mag worden afgewacht. In casu is nog altijd niet op de aanvraag beslist, zodat er sprake is van een voorwaardelijke toelating. De rechtbank heeft het beroep gegrond geoordeeld. Zij oordeelt het bestreden besluit in strijd met het discriminatieverbod neergelegd in artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko. In hoger beroep is door appellant betoogd dat het gemaakte onderscheid, gezien de doelstelling van de Koppelingswet, voldoende gerechtvaardigd is. Desgevraagd heeft gedaagde een aantal stukken overgelegd. Uit die stukken blijkt dat gedaagde oorspronkelijk in Nederland is toegelaten voor verblijf bij haar echtgenoot. Na de echtscheiding is aan haar bij besluit van 14 augustus 1995 voortgezet verblijf geweigerd. Gedaagde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Uit het advies uitgebracht door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken blijkt dat aan gedaagde, toen zij per 1 december 1996 arbeid in loondienst ging verrichten, een op de Wet arbeid buitenlandse werknemers gebaseerde verklaring is afgegeven inhoudende dat zij voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens die Wet niet wordt beschouwd als vreemdeling. Bij besluit van 5 november 1997 is het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 1995 ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat uitstel van vertrek zou worden verleend indien beroep zou worden ingesteld. Op 2 december 1997 is door gedaagde beroep ingesteld tegen het besluit van 5 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.