02/5032 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 19 oktober 2001 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat zij op en na 22 oktober 2001 niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid en dat zij daarom met ingang van die datum geen recht meer had op ziekengeld. Bij besluit van 28 januari 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 19 oktober 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 13 augustus 2002, reg. nr. AWB 02/253 ZW, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. Appellant heeft tegen die uitspraak op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld. Namens gedaagde heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft voornoemde mr. Staal nadere medische stukken ingezonden, waarop appellant desgevraagd inhoudelijk heeft gereageerd. Nadien heeft de gemachtigde van gedaagde daarop nog commentaar gegeven en een nader stuk ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 januari 2005, waar voor appellant is verschenen mr. B. Drossaert en waar namens gedaagde, met voorafgaand schriftelijk bericht, niemand is verschenen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Gedaagde was laatstelijk werkzaam als modinette en is op 23 september 1992 uitgevallen ten gevolge van rechter- handklachten. Met ingang van 22 september 1993 is haar een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de beoordeling van de voortzetting van de arbeidsongeschiktheidsuitkering na vijf jaar heeft de verzekeringsarts op basis van onderzoeksbevindingen, dossierstudie en schriftelijke inlichtingen van de behandelend reumatoloog aangegeven welke medische beperkingen gedaagde zou ondervinden bij het verrichten van werkzaamheden. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd die gedaagde met inachtneming van die beperkingen nog zou kunnen vervullen. Met het verrichten van die werkzaamheden zou het verlies aan verdiencapaciteit en daarmee de mate van arbeidsongeschiktheid 6,4% bedragen. Vervolgens heeft appellant de arbeidsongeschiktheidsuitkering van gedaagde ingevolge de WAO bij besluit van 25 november 1998 met ingang van 1 december 1998 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde minder dan 15% was in de zin van de WAO. Bij besluit op bezwaar van 22 maart 1999 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 25 november 1998 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 oktober 2000 heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten waren voor het oordeel dat appellant de medische beperkingen van gedaagde op 1 december 1998 niet juist zou hebben vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat appellant onvoldoende had gemotiveerd waarom drie van de vier aan de schatting ten grondslag gelegde functies ondanks overschrijding van gedaagdes belastbaarheid bij het aspect hand- en vingergebruik in medisch opzicht geschikt waren en het besluit van 22 maart 1999 om die reden vernietigd. Beide partijen hebben in die uitspraak berust. Ter uitvoering van voormelde uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts alsnog gemotiveerd waarom voornoemde drie functies in medisch opzicht geschikt waren. Daarop heeft appellant bij besluit van 16 januari 2001 het bezwaar tegen het besluit van 25 november 1999 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Aan gedaagde was inmiddels een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend en zij heeft zich vanuit deze uitkeringssituatie op 10 augustus 2001 ziekgemeld met handklachten. De verzekeringsarts J. Maas, die gedaagde op het spreekuur zag, heeft blijkens de medische kaart gerapporteerd op 10 oktober 2001 in medisch opzicht geen verschil te zien ten opzichte van de situatie op 1 december 1998 en heeft op 19 oktober 2001 geen duidelijke verandering van de klachten geconstateerd, waarna hij gedaagde per 22 oktober 2001 hersteld heeft verklaard. De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft in haar rapport van 4 januari 2002 geoordeeld dat de handklachten weliswaar een wisselend beloop hebben, doch in feite dezelfde zijn als ten tijde van de voorgaande WAO-beoordeling (op 1 december 1998). Wat betreft de geuite klachten in verband met spataderen merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat alle aan de WAO-beoordeling ten grondslag gelegde functies licht en zittend werk betreffen met de mogelijkheid tot vertreden, welk werk ook met deze klachten kan worden uitgevoerd. In een later rapport van 1 maart 2002 komt de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van een spreekuurcontact met gedaagde niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant, indien hij tijdig op de hoogte was geweest van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts als weergegeven in haar laatstgenoemde rapport, het thans bestreden besluit niet had kunnen nemen zonder, zo mogelijk door inschakeling van een deskundige, een nader medisch onderzoek te laten instellen. Appellant heeft daartegen in hoger beroep het navolgende aangevoerd: "Blijkens de uitspraak van 13 augustus 2002 baseert de rechtbank het oordeel dat het bestreden besluit niet had kunnen worden genomen op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 1 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.